![]() |
|
De titels in de onderstaande inhoudsopgave behoren bij deel 2 van een bijbelstudie over koning David. De complete bijbelstudie bestaat uit drie delen. Van deel 2 van deze bijbelstudie zijn uitsluitend de titels in de onderstaande inhoudsopgave met een lichtblauwe achtergrond op deze pagina weergegeven. Onderaan deze pagina vind je een link naar het vervolg van deel 2 zodat je de achtereenvolgende lessen in de juiste volgorde kunt lezen.
De overige delen van deze bijbelstudie zijn over de andere pagina's van deze site verdeeld. Een overzicht van alle lessen behorend bij deze bijbelstudie vind je hier.
| les num. | Titel | bijbelgedeelte |
|---|---|---|
| Voorwoord bij deel 2 | ||
| les 26 | David's koningschap wel bevestigd maar niet voltooid | 2 Sam. 2 |
| les 27 | David blijft verheven boven onbijbelse afrekeningen | 2 Sam. 3 en 4 |
| les 28 | David uiteindelijk koning over heel Israël | 2 Sam. 5, 1 Kron. 11 |
| les 29 | Lammen en blinden zullen u terug drijven | 2 Sam. 5 |
| les 30 | De ark wordt naar Jeruzalem gebracht | 2 Sam. 6, 1 Kron. 13,15 en 16 |
| les 31 | De ark wordt naar Jeruzalem gebracht (vervolg van les 30) | idem |
| les 32 | Met de ark aan de zwerf (vervolg van les 30 en 31) | idem |
| les 33 | De nederigen zal Hij verhogen | 2 Sam. 7, 1 Kron. 17 |
| les 34 | De oorlogen van David | 2 Sam. 5, 8 en 21 |
| les 35 | De oorlogen van David (vervolg van les 34) | idem |
| les 36 | De oorlogen van David (vervolg van les 34 en 35) | idem |
| les 37 | De passie van een groot koning | 2 Sam. 8, 1 Kron.18 |
| les 38 | David en Mefiboseth | 2 Sam. 4,9,16,19,21 |
| les 39 | Het einde van de buitenlandse oorlogen komt in zicht | 2 Sam. 10,12, 1 Kron. 19 en 20 |
| les 40 | David en Bathséba | 2 Sam. 11 |
| les 41 | Een zonde-gezwel dat bijna een jaar voortwoekert | 2 Sam. 12 |
| les 42 | Door wie wij nu de overwinning ontvangen hebben | 2 Sam. 24, 1 Kron. 21 |
| les 43 | Door wie wij nu de overwinning ontvangen hebben (vervolg van les 42) | idem |
| Bijlage over dorsvloer-kaf-koren | ||
| Het is volbracht |
Bijbelgedeelten die hier over spreken zijn resp.: 2 Sam. 8 v.1-14 en 1 Kron. 18 v.14-17, 2 Sam. 5 v.17-25, 2 Sam. 21 v.15-22 en 1 Kron. 20 v.4-8.
ENIGE TOELICHTING.
De bijbel is NIET geschreven in een chronologische volgorde. Alhoewel bv. het gehele boek
Genesis en de eerste 20 hoofdstukken van Exodus een duidelijke tijdsvolgorde aanhouden, zijn de
schrijvers van de bijbel uitgegaan van een geheel andere opzet. De ong. 40 verschillende
schrijvers van de bijbel, komende uit heel verschillende milieus, variërend van de eenvoudige
en de geleerde, de ambtenaar en de visser, tot de veehouder en de kweker. Geschreven over een
tijdsperiode van ong. 1500 jaar. Van ong. 1400 jaar vóór Chr. tot 100 jaar na Chr. Nee,
een "menselijk" boek is het beslist niet, maar Gods boek voor de mensen, een uniek boek,
geïnspireerd door de Heilige Geest. Ong. 3800 keer zegt de bijbel iets als: "ZO ZEGT DE
HERE". God laat door mensen heen vertellen, ieder op zijn eigen wijze en ieder in zijn eigen
stijl, hoe Gods verlossingsplan er uitziet. Dit alles vind je natuurlijk ook terug in die
bijbelgedeelten die de LEVENSGESCHIEDENIS VAN DAVID verhalen. Derhalve is het niet mogelijk zijn
leven en al zijn verrichtingen precies in een goede tijdsvolgorde te plaatsen.
In deze les zal ik trachten om "ALLES" wat er in de diverse hoofdstukken staat over resp. David's
oorlogsvoeringen en overwinningen, bijeen te brengen en daar de lessen uit te trekken die voor jou
en mij van belang kunnen zijn.
DE VIJAND WORDT NIET IN ÉÉN DAG HET LAND UITGEJAAGD.
Wie de, boven aan de les aangehaalde, bijbelgedeelten doorleest zal begrijpen dat dit
alles zich niet in een week of maand afgespeeld heeft, maar dat het wel een periode van een paar
jaar bestrijkt. Door de verschillende volken rondom Israël te overwinnen en te onderwerpen
(te beginnen met de Filistijnen), bewerkt David voor zijn volk een periode van rust en
welvaart.
Op deze wijze bewerkt David en het leger, waarmede hij strijdt, een groot gebied tot aan de rivier
de Eufraat, waar VREDE heerst. Zie ook bij les 33 en les 22.
DAVID VERSLOEG DAARNA DE FILISTIJNEN...
Het "DAARNA" uit 2 Sam. 8 v.1 e.v. sluit zeer waarschijnlijk aan bij 2 Sam. 5 v.17. In 2
Sam. 21 v.15 steken de Filistijnen opnieuw de kop op. In deze drie verschillende hoofdstukken
wordt verslag gedaan van drie keer oorlogvoering tegen hen door David. T.a.v. al dit oorlogsgeweld
bekruipen ons drie vragen, t.w:
ad. 1: WAT IS DE AANLEIDING VOOR DE VIJAND OM STEEDS WEER AAN TE VALLEN?
In les 29 zeiden we reeds dat de Filistijnen bevreesd werden voor een koninkrijk waar
EENHEID en VREDE heerst. Het principe van onze tegenstander is nog steeds: "VERDEEL EN HEERS". Dit
principe gold toen en NU. Zolang er binnen de gemeente van Jezus Christus geruzied wordt en er
(grote) verdeeldheid heerst, is de vijand niet zo bang, men kan dan immers toch geen "VUIST"
maken. Indien, net als onder David, de gemeente EENDRACHTIG optrekt onder leiding van DE ZOON VAN
DAVID, Jezus Christus, dan siddert onze gemeenschappelijke vijand t.w. satan en zijn leger.
Bovengenoemde reden zien we ook in 2 Sam. 8 v.1. In 2 Sam. 21 v.15 zien we OPNIEUW strijd. De drie
oorlogen werden in een betrekkelijk kort tijdsbestek uitgevochten. Steeds opnieuw trachtten de
Filistijnen om alsnog een doorbraak te forceren. Je kunt in 1 Sam. 21 wel spreken van
"VERZETSHAARDEN" met rebellen die in een z.g. man tegen man gevecht, een soort achterhoede gevecht
leverden. David gaat er kennelijk alleen met zijn elitetroepen op af, zijn helden, die hij om zich
heen verzameld had, als een keurkorps. Aan beide kanten worden dus de "COMMANDOTROEPEN" in de
strijd geworpen.
ad.2: IS HET ÉÉNMAAL VERSLAAN VAN DE VIJAND NIET VOLDOENDE?
De geschiedenis van de div. oorlogvoeringen die in de bijbel vermeld worden, leren ons dat
ÉÉN overwinning nog geen definitieve eindoverwinning is. Twee bijbelgedeelten zijn
voldoende om dit te onderstrepen.
1e. In 2 Kon. 13 v.14-19 leest de stervende Elisa, koning Joas de les op dit gebied. Alhoewel hij
deed wat kwaad is in de ogen des Heren (v.11) zegende Elisa "DE HAND" ten strijde, van de koning
en hij, koning Joas, kreeg de belofte dat hij Aram één keer tot vernietiging toe zou
verslaan (v.17). Maar de profeet werd toornig toen Joas slechts drie keer i.p.v. 5 á 6 keer
met de bundel pijlen op de grond sloeg. De profetische les in dit alles was dat we in de
(geestelijke) strijd moeten volharden tot de vijand definitief verpletterd is.
2e. Judas v.3 zegt: "Ik voel mij genoodzaakt, met een vermaning u te schrijven, om tot het
UITERSTE te strijden voor het geloof." Zie óók 1 Tim. 6 v.12. We wandelen (en strijden)
nu nog in geloof en (nog) niet in aanschouwen. 2 Cor. 5 v.7. In onze geloofsstrijd zuchten we nu
nog bezwaard, zolang we in ons lichaam ons verblijf hebben. Zie ook 2 Tim. 4 v.6-8.
ad.3: HOE KAN DE VIJAND DEFINITIEF VERSLAGEN WORDEN?
Lezen we de boven aan de les genoemde bijbelgedeelten nog eens door uit 2 Sam. en 1 Kron.
dan ontdekken we wel een bepaalde lijn in de strijd. We zetten de zeven geestelijke lessen die we
eruit kunnen trekken even onder elkaar:
a. INDIEN JE BEMERKT DAT DE VIJAND ZICH TEGEN JE OPMAAKT BEGEEF JE
DAN (snel) NAAR JE VESTING. 2 Sam. 5 v.17. David bad in Psalm 31: "Bij U Here, schuil ik... neig
Uw oor tot mij, redt mij haastig... wees mij tot een sterke VESTING om mij te redden (v.1-3). Want
Gij zijt mijn steenrots en mijn VESTING."
b. DAVID RAADPLEEGDE ALLEREERST DE HERE, OMTRENT DE KOMENDE STRIJD
EN DE AFLOOP. 1 Sam. 5 v.19. Ook Paulus ging voor moeilijke vragen bij de Heer zelf te rade. Zie
Gal. 1 v.15-16 en Jac. 1 v.15.
c. DAVID GEEFT DE EER VAN DE OVERWINNING AAN GOD. In alle dingen
zullen we, net als Abraham, de eer aan God geven, zelfs als de "overwinning" nog niet behaald is.
Verder staat er in Rom. 4 v.19-21: "...maar aan de belofte Gods heeft hij (Abraham) NIET
getwijfeld door ongeloof, doch hij werd gesterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, in de volle
zekerheid, dat Hij bij machte was, hetgeen hij beloofd had, ook te volbrengen. Zie ook Joh. 7
v.18; 2 Cor. 4 v.15; 1 Thess. 2 v.20.
d. VERBRAND ALTIJD DE BUITGEMAAKTE AFGODSBEELDEN VAN DE VIJAND. 2
Sam. 5 v.21 en 1 Kron. 14 v.12. David gaf bevel om hun goden te verbranden, overeenkomstig Deut. 7
v.5, opdat de liefde van God, blijkend uit Zijn zegeningen, rijkelijk ons deel zou worden.
(v.12-16). De afgoden in deze eeuw zullen veelal onzichtbaar zijn. Wellicht is HOOGMOED de meest
gevaarlijke want onze oude mens kan voor deze afgod knielen en de oude mens (weer) op de troon
zetten. De plaats in ons hart die God alleen toekomt. Zie Rom. 1 v.21-32.
e. DAVID VERVIEL NIET IN EEN VAST(geroest) PATROON, DUS IN EEN
ÉÉN KEER GOED, ALTIJD GOED TACTIEK, MAAR BIJ EEN VOLGENDE AANVAL VROEG HIJ OPNIEUW GOD
OM RAAD. 2 Sam. 5 v.23-25.
Paulus verwoordt dit geestelijke principe o.a. in 2 Cor. 1 v.8-11. Zie ook Jer. 17 v.7 en Jes. 26
v.1-7. David verwoordt het in Ps. 27 en 28. De liefdesrelatie tussen God en Zijn kinderen bepaalt
de uitslag: Ps. 91 v.14-15: "Omdat hij mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem
beschutten, omdat hij mijn naam kent. Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de
benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen."
f. DAVID HEERST NU OVER DE VIJAND. 2 Sam. 8 v.1. De vertaling van
het Hebreeuws staat niet helemaal vast. De Leidse vertaling geeft wellicht de bedoeling het beste
weer met: "HIERNA VERSLOEG DAVID DE FILISTIJNEN, VERNEDERDE HEN EN NAM DE TEUGEL VAN HET BEWIND
UIT DE HAND DER FILISTIJNEN." 2 Sam. 8 v.1. Van onze Heer, DE ZOON VAN DAVID, zegt Paulus: "WANT
HIJ MOET ALS KONING HEERSEN, TOTDAT HIJ AL ZIJN VIJANDEN ONDER ZIJN VOETEN GELEGD HEEFT." 1 Cor.
15 v.25-26 en Openb. 11 v.15. En Paulus zegt ook: "Indien wij volharden (in onze geloofsstrijd)
zullen wij ook MET HEM als koningen HEERSEN". 2 Tim. 2 v.12.
g. IS HET NIET DE HOOGSTE TIJD OM DE "GROENE BARETTEN" IN TE
ZETTEN? Van strijden wordt je moe, steeds maar weer die aanvallen van de vijand afslaan. Steeds
lijken er maar weer VERZETSHAARDEN de kop op te steken. Is het nu nooit afgelopen met die
hardnekkige Filistijnen... Bovenstaande gedachten komen omhoog als we David's oorlogen, o.a. met
de Filistijnen, de revue laten passeren. In deze "laatste" gevechtsronde gaat David er op af met
zijn keurkorps, zijn elite troepen, ook wel David's helden genoemd.
In les 35 en 36 wordt de rest van DE OORLOGEN VAN DAVID MET DE FILISTIJNEN besproken.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 34:
2 Sam. 5 v.17-25; 2 Sam. 8 v.1-14; 2 Sam. 21 v.15-22; 1 Kron. 18 v.14-17; 1 Kron. 20 v.4-8.
VRAAG 1: Hadden de div. schrijvers der bijbelgeschriften de
bedoeling om tezamen (ong. 40 pers.), één bijbel te schrijven?
VRAAG 2: Geef je eigen mening eens over resp. de inspiratie en de
betrouwbaarheid van de Heilige Schrift.
VRAAG 3: In het grote, veroverde gebied tot aan de rivier de Eufraat,
heerste onder David, maar vooral onder Salomo VREDE EN GERECHTIGHEID. Waar was dit grote
"Vrederijk" een (nog zwakke) afschaduwing van?
VRAAG 4: Waar zijn de "Filistijnen" van de 21e eeuw erg bang voor?
Volgens welk principe werkt onze vijand in de geestelijke wereld nog steeds?
VRAAG 5: Wat zou je vandaag de dag onder Gods commandotroepen willen
verstaan en wat zie je als hun bijzondere taak?
VRAAG 6: Breng voor jezelf (en anderen) eens onder woorden welke
geestelijke les er verborgen zit in hetgeen de stervende profeet zei in 2 Kon. 13 v.14-19.
VRAAG 7: Onder ad. 3: "HOE KAN DE VIJAND DEFINITIEF VERSLAGEN WORDEN?"
staan zeven geestelijke lessen. Geef van de eerste twee (a en b) eens JOUW mening.
VRAAG 8: Idem van de volgende drie (c, d, e).
VRAAG 9: Wat zou het voor de praktijk van ons Christelijk leven
inhouden, nu en heden, indien de "TEUGELS" uit de hand der vijand genomen werd? Zie ad.3 punt f.
Zie Luc. 1 v.67-75.
VRAAG 10: Wie in de militaire dienst een extra opleiding kreeg, ontving
na een zware training zijn groene baret uitgereikt. Kun je dit óók vergelijken met onze
training voor de geestelijke oorlogvoering? Zie ook 1 Tim. 2 v.1-5 en 2 Tim. 2 v.1-13, speciaal
v.3, 4 en 12.
De bijbelgedeelten waarop deze drie lessen betrekking hebben zijn: 2 Sam. 8 v.1-14; 1 Kron. 18
v.14-17; 2 Sam. 5 v.17-25; 2 Sam. 21 v.15-22; 1 Kron. 20 v.4-8.
In les 34 lazen we de zeven geestelijke lessen die we uit het één en ander konden leren,
vanuit de vraagstelling: "HOE KAN DE VIJAND DEFINITIEF VERSLAGEN WORDEN?" We vallen als het ware
weer midden in de gevechtshandelingen....
DE FILISTIJNEN UIT HET BERGLAND VERDREVEN...
David en zijn mannen daalden af van de bergen en zochten de Filistijnen op die in de
vlakte woonden. Ze waren reeds uit het bergland verdreven. 2 Sam. 21 v.15. Je leest nu niet meer,
zoals weleer, van het opstellen van slagorde tegenover slagorde. De vijand wordt nu op eigen
terrein aangevallen. In v.15-22 lees je steeds van vier reuzen die door de hand van David samen
met zijn keurkorps vielen. Uit de fragmenten van de geschiedenis is het volgende te reconstrueren.
Het gebeurde toen dat ze een reus ontmoetten met de naam JISBI-BENOB, dat betekent: BERGBEWONER.
Deze reus probeerde David en zijn helden tegen te houden en het bergland weer te heroveren. Hij
stamde uit het geslacht van RAFA, dat betekent REUS.
Deze reus komt met een NIEUW ZWAARD (Stat. Vert.), andere vertalingen spreken van een NIEUWE
WAPENRUSTING. Deze reus probeert met zijn NIEUWE ZWAARD David te doden. Samen, met de helden om
hem heen weet David de totaal vier reuzen te verslaan. 2 Sam. 21 v.15-22, 1 Kron. 20 v.4-8. De
reuzen komen we op diverse plaatsen in de bijbel tegen, bv. in Gen. 14 v.5; Deut. 2 v.10-11 en
20-21; Deut. 3 v.11-12; Joz. 12 v.4 en 13 v.12 en 17 v.14-18. Steeds duiken deze reuzen weer op.
Het zijn de zg. "RAFAÏETEN" die steeds proberen om Gods volk de pas af te snijden. Dit zijn
de KEURTROEPEN, maar nu van onze tegenstander. Zie bv. de geschiedenis die zich afspeelde op de
vlakte REFAÏM = DE VLAKTE DER REUZEN, beschreven in 2 Sam. 23 v.13-17 en 1 Kron. 11 v.15-19.
Zie les 29.
DE REUZEN GEDROCHTEN VAN DE EINDTIJD.
In de(ze) eindtijd worden we geconfronteerd met "REUZEN VAN GEDROCHTEN" tot de "tanden"
bewapend, van zéér grote lengte en met een NIEUWE WAPENRUSTING en uit hun mond komen
GODSLASTERINGEN. Zie 1 Kron. 20 v.4-8. Vers 7 zegt: "HIJ HOONDE ISRAËL..." In de eindtijd
zijn de kenmerken dus dat de reuzen zijn:
Paulus geeft in 2 Thess. 2 v.7-12 reeds een zg. profielschets: "DAN ZAL DE WETTELOZE ZICH OPENBAREN, DIEN DE HERE ZAL DODEN DOOR DE ADEM ZIJNS MONDS EN MACHTELOOS ZAL MAKEN DOOR ZIJN VERSCHIJNING ALS HIJ KOMT. DAARENTEGEN IS DIENS KOMST NAAR DE WERKING DES SATANS MET ALLERLEI KRACHTEN, TEKENEN EN BEDRIEGELIJKE WONDEREN EN MET ALLERLEI VERLOKKENDE ONGERECHTIGHEID..."
DE PSALMDICHTER ALS PROFEET.
In Psalm 74 v.1-11 lezen we een klaaglied over de verwoesting en over de HONENDE (v.10)
vijand die nu nog lijkt te overheersen, maar.... in vers 12-17 lezen we de OVERWINNING over deze
draken en de vermorzeling van de koppen der Leviathan (v.13-14). Ook Jes. 14 v.24-27 vertelt dat
in het Israël Gods de invloed en de macht van Assur (beeld van het occulte rijk der
duisternis met zijn tovenarijen) ja, over de gehele aarde verbroken zal worden. In de verzen 28-31
wordt gezegd m.b.t. Filistea, dat uit de wortel= het nageslacht van de slang een adder zal
voortkomen en háár vrucht zal een VLIEGENDE DRAAK zijn. Dit geestelijk nageslacht zal
echter sterven en gedood worden.
DE LAATSTE RONDE WORDT INGELUID.
De afsluiting lezen we echter in Openbaring 12. De gemeente van Jezus Christus, het
Israël Gods, is het hoofdonderwerp van het laatste bijbelboek. In deze eindtijd zullen de
EERSTELINGEN met elkaar in het strijdperk treden. ZWAARD tegen ZWAARD.... WAARHEID tegen
leugen.... Zie Ef. 5 v.9 en 6 v.14; 1 Joh. 4 v.6; 2 Tim. 3 v.8. De gemeente van Jezus Christus,
het Israël Gods, is het hoofdonderwerp van het laatste bijbelboek, door Paulus in 1 Tim. 3
v.15 genoemd... HET HUIS GODS, DAT IS DE GEMEENTE VAN DE LEVENDE GOD, EEN PIJLER EN FUNDAMENT DER
WAARHEID.
Onze tegenstander(s) uitgerust met een NIEUW ZWAARD (S.V.) of een nieuwe wapenrusting (N.B.G.). De
zonen Gods hanteren het zwaard des Geestes = het Woord van God. Waarheid en leugen zullen
tegenover elkaar geplaatst worden en strijd voeren, gehanteerd door de zonen Gods en de zonen des
verderfs of der wetteloosheid. "DAVID'S HELDEN" in de eindtijd zullen de vijand tarten, een
slachting aanrichten en wel zólang tot hun "HAND" aan het "ZWAARD" kleeft… 2 Sam. 23
v.9-10; Hebr. 4 v.12.
WIE IS DEZE (EINDTIJD)VIJAND, DEZE DRAAK.
Het is nu nog moeilijk in details aan te geven hoe de geestelijke vijand er precies uit
ziet, maar de contouren tekenen zich steeds duidelijker af en zijn STRATEGIE is nu voor ons geen
geheim meer. Alleen zijn tactische manoeuvres verrassen ons nog te veel. De reuzen met hun grote
lengte waartegen David en zijn helden streden, met hun 24 vingers en tenen en hun nieuwe zwaard of
wapenrusting, zijn een duidelijk voorbeeld van de "DRAAK" die ons nu ook wil overweldigen.
Openb. 12 v.7-8 zegt: "EN ER KWAM OORLOG IN DE HEMEL: MICHAEL EN ZIJN ENGELEN HADDEN OORLOG TE
VOEREN TEGEN DE DRAAK. OOK DE DRAAK EN ZIJN ENGELEN VOERDEN OORLOG, MAAR HIJ KON GÈÈN
STANDHOUDEN EN HUN PLAATS WERD IN DE HEMEL NIET MEER GEVONDEN."
WIE ZAL DE TROON BEZETTEN?
Zoals de toenmalige vijand David van zijn troon wilde stoten, zie daartoe nog eens les 29;
2 Sam. 5 v.17-25, zo is het altijd de bedoeling geweest van de duivel om DE ZOON VAN DAVID, Jezus
Christus, en Zijn gemeente van de troon af te houden, dus de bezetting van de TROON, dát is
zijn strategie, en de inzet van de strijd. Jes. 14 v.13-14. De strijd speelt zich NU af in de
ONZIENLIJKE (=de geestelijke) wereld. De tactische manoeuvres die hij hanteert vinden we heden ten
dage o.a. gemanifesteerd in de zg. NEW AGE beweging. Als een vijfde colonne is hij werkelijk
OVERAL gepenetreerd, vooral in de afvallige kerk.
Maar de zonen Gods (David's helden), vinden de afvallige kerk tegenover zich. De vrouw des Lams
vindt de grote hoer als tegenspeler. Door de één werkt de Heilige Geest en door de ander
het beest uit de afgrond of dodenrijk. Openb. 13 v.1. Zoals de Zoon van God Zijn lichaam, de
gemeente, leidt zó zal de tegenhanger, de valse profeet, de ANTICHRIST, zijn gemeente leiden.
Jes. 9 v.14-15.
WELK ZWAARD ZAL OVERWINNEN?
Het zwaard van Gods volk, beschreven o.a. in Ef. 6 v.10-20 en Hebr. 4 v.12-13 is het
absoluut overwinnende wapen in de eindstrijd. Het zwaard van de Islam, gehanteerd door hen die
luisteren naar de valse profeet, zal in de toekomst blijken een "ZAKMESJE" te zijn in vergelijking
met het zwaard van de NEW AGE BEWEGING. Onze strijd tegen de reus Jisbi-Benob=bergbewoner, met
zijn indrukwekkende nieuwe wapenrusting (zie 1 Sam. 17 v.3-7) is een gevecht, waarbij de resp.
legers ieder op HUN EIGEN BERG staan (v3). De grote vraag is op welke berg wij staan. Openb. 14
v.1 zegt: "EN IK ZAG EN ZIE, HET LAM STOND OP DE BERG SION en met Hem 144.000, op wier voorhoofden
Zijn naam en de naam Zijns Vaders geschreven stonden."
De berg Sion, de tempelberg, is een beeld van de Heilige geest waarop de woonstede Gods in de
Geest wordt gebouwd. Ef. 2 v.22 met Jezus Christus als hoeksteen. 1 Petr. 2 v.1-10. Jes. 8 v.18
zegt: "DE HERE DER HEERSCHAREN DIE TE SION WOONT." Hebr. 12 v.22-23 spreekt van de gemeente als DE
HEILIGE STAD of HET NIEUWE JERUZALEM, de gemeente van eerstgeborenen die ingeschreven staan in de
hemel, dus het zijn HEMELBURGERS.
OPDAT DE KONING DER ERE INGA.
David vraagt in Psalm 24 (berijmd):
"WIE KLIMT DE BERG DES HEREN OP
WIE ZAL DIEN GOD GEWIJDEN TOP
VOOR 't OOG VAN SION'S GOD BETREDEN.
DE MAN DIE REIN VAN HART EN HAND
ZICH NIET AAN IJDELHEID VERPANDT
EN GEEN BEDROG PLEEGT IN ZIJN EDEN."
En vers 6 (onberijmd):
"..dat is het geslacht van wie naar Hem vragen
die Uw aanschijn zoeken, dat is Jacob."
En vers 8:
"WIE IS TOCH DE KONING DER ERE
DE HEER STERK EN GEWELDIG
DE HERE, GEWELDIG IN DE STRIJD."
Tot twee keer zegt de Psalm: "OPDAT DE KONING DER ERE INGA." En waar moet deze Koning dan ingaan??? Wel... in de gemeente van de eerstgeborenen, die HEMELBURGERS. Fil. 3 v.20. OPDAT wil zeggen: om ze te maken tot de helden van David, beter gezegd: DE ZOON VAN DAVID, dus tezamen met Jezus Christus. Zie ook wat de profeet Jesaja er reeds van zei in Jes. 2 v.2-3; Jes. 40 v.9-11 en Joël 2 v.32 en hst 3 v.17.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 35:
VRAAG 1: Welke waarheid schuilt er in de uitspraak van de dienaren
van Benhadad: "HUN GOD IS EEN BERG-GOD, DAAROM ZIJN ZIJ STERKER DAN WIJ." 1 Kon. 20 v.23 en 28.
Zie ook Micha 4 v.7, Ex. 19 v.11 en 18; Ex. 24 v.16.
VRAAG 2: Toon eens aan, waarom de strijd tegen de bergbewoners in het
geval van David wel tot overwinning leidde, 2 Sam. 21 v.15-22 etc., en in het geval van Num. 14
v.39-45 duidelijk niet.
VRAAG 3: Noem eens enkele van de opvallendste kenmerken van de
"EINDTIJD-REUZEN."
VRAAG 4: Tracht eens een (of de) verklaring te geven van de z.g.
profielschets die Paulus in 2 Thess. 2 v.7-12 geeft van de "reuzen van gedrochten".
VRAAG 5: Welke hoop mag de gemeente van Jezus Christus koesteren op
grond van o.a. Ps. 74 v.12-17 en Jes. 14 v.24-27 en 28-31.
VRAAG 6: Wat is het hoofdonderwerp in het laatste bijbelboek?
VRAAG 7: Tracht eens een verklaring te geven van Openb. 12 v.7-8.
VRAAG 8: Waaruit bestaat de grote strategie van satan, al van oudsher,
maar speciaal nu in de eindtijd?
VRAAG 9: Vertel eens wat je weet te vertellen over de z.g. New age
beweging.
VRAAG 10: Verklaar de zin uit Ps. 24, waar staat: "OPDAT DE KONING DER
ERE INGA."
VRAAG 11: David versloeg ooit eens reus Goliath en nam hem zijn zwaard
af, maar in les 35 lezen we dat er opnieuw (eindtijd)reuzen verschijnen met een NIEUW zwaard. Zij
proberen alsnog DAVID te doden en het Israël Gods te honen. Probeer zelf eens een geestelijke
verklaring te vinden voor dit toch wel zeer opmerkelijke verschijnsel.
Zie de bijbelgedeelten bovenaan les 34 en 35.
WORDT HET DE EBAL OF DE GERIZIM?
Zie Deut. 11 v.29-32; Deut. 27 v.1-10 en 11-26; Joz. 8 v.30-35.
De Israëlieten moesten met een aanschouwelijk voorbeeld in de natuurlijke wereld het verschil
leren kennen tussen GOED en KWAAD. God gaf aan Mozes de opdracht en deze gaf het weer door aan
Jozua, om na het veroveren van het beloofde land als gehele volk op te trekken naar de berg
EBAL.
Op deze berg moesten grote stenen opgericht worden, die moesten met (witte) kalk bestreken worden
en daarop moest duidelijk leesbaar de wet geschreven worden.
Een altaar voor de Here hun God moest aldaar worden opgericht van ONbehouwen stenen, waarop
brandoffers gebracht moesten worden en daarna vredeoffers. Zie vooral 2 Cor. 3 v.2-3 en Rom. 2
v.15. De Israëlieten waren de nog "ONBEHOUWEN STENEN", die nadat de offers gebracht waren,
gereed zijn als "LEVENDE STENEN" TE WORDEN INGEZET VOOR DE BOUW VAN EEN GEESTELIJK HUIS, hier
echter nog wel als een natuurlijk voorbeeld voor ons NU.
OM EEN HEILIG PRIESTERSCHAP TE ZIJN.
Als Gods volk = het Israël Gods, heden zich wil laten gebruiken als levende stenen
voor een geestelijk huis (1 Petr. 2 v.5-6) en op de hoeksteen (Jezus Christus) zijn geloof bouwt,
dan ben jij nu in ontferming door God aangenomen om een HEILIG PRIESTERSCHAP te zijn. (v.5-10).
Dit gebeurde op de berg EBAL. Zie Deut. 27 v.1-10 en Jozua 8 v.30-35. Niet fraaier of acceptabeler
gemaakt door menselijke inspanning, lagen wij daar als ONBEWERKTE, RUWE STENEN, onder het altaar.
En omdat Christus Jezus zich opofferde terwille van ons, heeft Hij ons gemaakt tot BEHOUWEN
STENEN=LEVENDE STENEN= EEN KONINKLIJK PRIESTERSCHAP om te dienen. Het heersen als "koning" komt
pas later aan de orde....
Vanaf de berg Gerizim werden door zes stammen de zegeningen uitgesproken. Vanaf de Ebal riepen de
Levieten met luider stem uit: "VERVLOEKT IS HIJ, DIE DE WOORDEN VAN DEZE WET NIET METTERDAAD
VOLBRENGT." En het gehele volk moest zeggen: AMEN. Deut. 27 v.14 en 26 en Joz. 24 v.25-28.
EN DE ZEGEN DAALT DAN NEER.
En de zegen zou neerdalen op hen die daadwerkelijk leefde en leeft overeenkomstig Gods
woord. De vloek zou en zal neerdalen op hen die daadwerkelijk God en Zijn Woord verachten en
haten. Tussen deze twee mogelijkheden, deze twee bergen Ebal en Gerizim, stonden de priesters
opgesteld met de ark van het verbond. Joz. 8 v.33. Wie God, die op de Cherubs troont,
gesymboliseerd in DE ARK, zocht met zijn hele hart, behoefde zijn blik maar omhoog te richten op
de berg Ebal, de berg der vervloeking, want DAAR was het BRANDOFFERALTAAR opgericht. Dit altaar
met daarbij de wet op stenen geschreven is thans het beeld van de verzoening van de zondaar met de
heilige God, door het volmaakte offer van HET LAM VAN GOD=Jezus Christus. Voor hem of haar zijn
dan de zegeningen, uitgesproken vanaf de berg Gerizim, die luiden:
DE HEERLIJKE ZEGENINGEN VAN GOD, GESPROKEN VANAF DE BERG GERIZIM.
a. DE HERE, UW GOD ZAL U VERHEFFEN BOVEN ALLE VOLKEN DER
AARDE.
b. DE HERE ZAL UW VIJANDEN DIE TEGEN U OPSTAAN, VERSLAGEN AAN U
OVERLEVEREN.
c. DE HERE ZAL U, ALS ZIJN HEILIG VOLK BEVESTIGEN. Deut. 28
v.1-9.
Deze zegeningen golden voor toen en nu, zoals de bijbel ons leert in o.a. 1 Joh. 5 in Nieuw
Testamentische zin. We lezen nu Gods beloften eens met een bril op van het NIEUWE VERBOND:
ad. a: "...WANT AL WAT UIT GOD GEBOREN IS, OVERWINT DE WERELD, EN
DIT IS DE OVERWINNING, DIE DE WERELD OVERWONNEN HEEFT, ONS GELOOF.." uit 1 Joh. 5 v.4-5.
ad. b: "...IK SCHRIJF U JONGELINGEN WANT GIJ HEBT DE BOZE
OVERWONNEN ...WANT GIJ ZIJT STERK EN HET WOORD GODS BLIJFT IN U."
ad. c: "WANT DE TEMPEL GODS, EN DAT ZIJT GIJ, IS HEILIG." 1 Cor. 3
v.17; 1 Petr. 2 v.9; Ef. 1 v.4.
LOOP NOOIT VOORBIJ AAN "HET BRANDOFFERALTAAR"
Wie aan het brandofferaltaar op de berg Ebal met trotse nek voorbij gaat zal God niet
vinden. In het dal tussen de Ebal en de Gerizim stond de ark met de priesters opgesteld. Zo is het
ook nu. Wie Christus Jezus niet aanvaardt zal in eeuwigheid God de Vader niet zien. Zo iemand zal
zijn "heil" op een andere berg zoeken. Een berg is een beeld van een geestelijke macht. Het boek
Openbaring spreekt duidelijke taal over deze geestelijke berg(en). Openb. 6 v.14-17 leert ons dat
wie op deze trotse, demonische berg(en) hun hele leven gebouwd hebben, in het oordeel tevergeefs
zullen trachten om voor "hulp" aan te kloppen en in deze "BERG" te schuilen voor het oordeel. Ze
zullen de geestelijke dood vinden en onbereikbaar blijken voor het Evangelie. Zie Openb. 8 v.8-9.
De tijd komt echter: " ..DAT DE BERGEN NIET MEER GEVONDEN ZULLEN WORDEN." Openb. 16 v.20. God
troost Zijn volk reeds in Jes. 40 v.1-5 met deze woorden: "…EN ELKE BERG EN HEUVEL ZAL
GESLECHT WORDEN." v.4. Zie ook Hosea 10 v.8; Micha 1 v.2-7 en 6 v.1-8; Nahum 1 v.5-6 en 15; Hab. 3
v.6 en 10; Zach. 4 v.6-7.
WIE ZIJT GIJ, GROTE BERG?
Verder zegt Zach. 4 v.7: "WIE ZIJT GIJ, GROTE BERG. VOOR HET AANGEZICHT VAN ZERUBBABEL
WORDT GIJ EEN VLAKTE; HIJ ZAL DE SLUITSTEEN (hoofdsteen, gevelsteen) NAAR VOREN BRENGEN ONDER HET
GEJUBEL HEIL, HEIL ZIJ HEM." (of: hoe heerlijk is hij), vert. Brouwer. Jozua, de hogepriester en
Zerubbabel (=spruit uit Babel) waren uit het koninklijke geslacht van David. Jer. 22 v.30. Beiden,
Jozua zowel Zerubbabel zijn wel beelddragers van de rechtvaardige spruit Jezus Christus. Jer. 23
v.5-8. Deze RECHTVAARDIGE SPRUIT vormt van de nieuw te bouwen tempel = de geestelijke tempel,
zowel de hoeksteen (het begin) als de hoofd- of sluitsteen (het einde) ook genoemd: DE LEVENDE
STEEN. Daartussen worden wij als levende stenen, MEDEGEBOUWD. 1 Petr. 2 v.4-5.
VAN EEN BERG DIE EEN VLAKTE WERD.
De duivelse "BERG" die de bouw van deze geestelijke tempel wil verhinderen, zal tot een
vlakte worden, dus vernietigd. Lied 230 uit Opwekking luidt:
"WANT IK MAAK MIJ EEN GEEST'LIJKE TEMPEL, OP DE KOSTBARE HOEKSTEEN GEBOUWD. k'WIL EEN KONINKLIJK
PRIESTERSCHAP VORMEN, UITVERKOREN EN MIJN EIGENDOM."
DE BERG DER GODEN VAN DE NEW AGE.
Wat zal er met de goden van de New age gebeuren? Ook deze "BERG" zal tot een VLAKTE
worden. De reus die met zijn NIEUWE WAPENRUSTING, zijn NIEUWE ZWAARD, was uitgerust, meende David
neer te kunnen vellen. 2 Sam. 21 v.16-17. Maar ook deze reus werd toen door de helden van David
gedood. Gen. 11 v.1-9 leert ons dat er éénmaal geprobeerd is, om de rebellie tegen de
almachtige God te bundelen. De kracht van deze bundeling van krachten(machten) lag en ligt in de
occulte sector. Gods conclusie luidde: "ZIE HET IS ÉÉN VOLK EN ZIJ ALLEN HEBBEN
ÉÉN TAAL. DIT IS HET BEGIN VAN HUN STREVEN, NU ZAL NIETS VAN WAT ZIJ DENKEN TE DOEN VOOR
HEN ONUITVOERBAAR ZIJN."
Gods daad was toen: Hij bracht SPRAAKVERWARRING en sneed zo alle COMMUNICATIELIJNEN door, zodat
het gevolg was: het staken van deze massale, ééndrachtige aanval op de troon van God en
het verstrooien werd alsnog bewerkt.
DE HOGE "PRAATPAAL" VAN DE DUIVEL.
De zg. TOREN(s) VAN BABEL, ook wel ziggurats genoemd, waren torens van zeven verdiepingen,
zo'n 90 meter hoog. Het was als het ware een hoog gelegen tempel, want op de bovenste verdieping
dacht men zich de godheid, ook wel genoemd PLATVORM VAN DE HEMEL EN DE AARDE oftewel satans
"PRAATPAAL" of communicatiecentrum. Nog ÉÉNMAAL, maar nu in deze eindtijd zal satan
opnieuw een commandotoren trachten te bouwen, niet zichtbaar met natuurlijke ogen. De schuilnaam
heet: New age beweging, maar dat "NIEUWE" is bijna zo oud als de wereld zelf.
Religies op deze aarde, die elkaar altijd bestreden, althans volkomen op zichzelf opereerden,
worden nu GEBUNDELD. Als zg. vijfde colonne zijn ze reeds overal gepenetreerd. Nog eenmaal zal
satan trachten al zijn kanalen, door wie hij uitzendt, te bundelen, alle communicatielijnen te
repareren en te verbinden met zijn COMPUTERCENTRUM, ZIJN COMMANDOTOREN in het New Babylon.
DE ONDERGANG VAN HET NIEUWE BABYLON.
Gode zij dank, het nieuwe Babylon zal vallen, ja verwoest worden. Zie Openb. 14 v.8; 16
v.19; 17 v.5; 18 v.2, 10, 21. GODS volk zal nu verlicht worden met verlichte ogen des harten. Ef.
1 v.15-23. Mogen de helden van David nu opstaan om ook deze reus het "NIEUWE ZWAARD" (nieuwe
wapenrusting) te ontnemen, door hem, net als Goliath, te onthoofden. Dan zal Gods belofte vervuld
zijn die luidde: "EN IK ZAL VIJANDSCHAP ZETTEN TUSSEN U EN DE VROUW EN TUSSEN UW ZAAD EN HAAR
ZAAD, DIT ZAL U DE KOP VERMORZELEN..." Gen. 3 v.15. Waar is het wachten eigenlijk nog op???
ENKELE VRAGEN BIJ LES 36:
VRAAG 1: Wat is bijbels gezien het verschil tussen onbewerkte en
bewerkte stenen? Wanneer wordt de onbewerkte steen, een bewerkte steen?
VRAAG 2: Geef eens een andere benaming voor behouwen stenen.
VRAAG 3: Wanneer zal Gods zegen pas werkelijk neerdalen?
VRAAG 4: Wat hadden (of hebben) het BRANDOFFERALTAAR en de op stenen
geschreven wet, op de berg Ebal met elkaar te maken?
VRAAG 5: Geef je mening eens over de drie heerlijke zegeningen van God,
uitgesproken vanaf de berg Gerizim.
VRAAG 6: Wanneer loopt iemand aan het brandofferaltaar voorbij?
VRAAG 7: De combinatie van hogepriester en koning (of stadhouder) komt
meer dan eens voor. Noem eens drie voorbeelden van zowel PROFEET, PRIESTER en KONING.
VRAAG 8: Wat vind je van de gedachte dat de New age beweging een
uitdrukking is van de NIEUWE WAPENRUSTING (het nieuwe zwaard) van satan in deze eindtijd?
VRAAG 9: Hoe denk jij dat God de "TORENBOUW VAN BABEL" in de eindtijd
zal gaan aanpakken? Gaat Hij daar Zijn gemeente ook bij gebruiken?
VRAAG 10: Hoe denk je dat satan bezig is zijn "PRAATPAAL" of
"COMMANDOTOREN" te realiseren om alsnog een aanval op de troon te doen?
2 Sam. 8 v.2-14, 1 Kron. 18 v.1-13.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE.
In deze les "verzamelen" we een aantal oorlogsverrichtingen tegen div. koninkrijken, t.w.
de Moabieten, Zoba (een koninkrijk gelegen aan de bovenloop van de rivier de Orontes), Aram en
Edom. Alhoewel het zaken betreft die duidelijk in het OUDE verbond een plaats hadden, zullen we
toch zien dat er voor ons, voor nu en voor de toekomst leerzame lessen in verborgen zitten.
WAAR LIGGEN DE "GRENZEN" VAN DE KRIJGSHEER.
Bij het lezen over en het bestuderen van deze krijgsverrichtingen van David, lijkt er op
het eerste gezicht weinig verheffends en (1)eerzaams in te zitten, eerder het tegendeel, indien we
het bezien in het licht der 21e eeuw en zeker bezien vanuit het Koninkrijk Gods. Enerzijds had
David steeds de opdracht van God in gedachten om de 7 Kanaänitische volken uit te roeien.
Num. 33 v.50-53; Deut. 19 v.l. In 2 Sam. 8 v.2 wordt echter gesproken over een oorlog tegen de
MOABIETEN, maar die behoren NIET tot deze 7 volken. Er was eerder zelfs een goede verhouding. Zie
1 Sam. 22 v.1-4. Bovendien was Ruth, David's overgrootmoeder een Moabitische. Moab mocht niet
benauwd en uitgedaagd worden van God, het was een broedervolk, nakomelingen van Lot. Evenzo het
gebied der Ammonieten. Zie Deut. 2 v.9 en 19. Alleen wanneer Israël door hen bedreigd werd,
verviel deze regel ten dele. Toch sprak God duidelijke taal t.a.v. deze verbasterde
"broeder"volken. In Deut. 23 v.3-6 lezen we zeer opmerkelijke dingen, t.w.:
1e. ZELFS HET 10e GESLACHT VAN DE MOABIET OF DE AMMONIET MOCHTEN
NIET IN DE GEMEENTE DES HEREN KOMEN, DUS.... NOOIT. Gen. 19 v.30-38.
2e. GOD SPRAK TEGEN DE ISRAËLIETEN: "GIJ ZULT ZOLANG GIJ
LEEFT NIMMER DE VREDE EN HET GOEDE VOOR HEN ZOEKEN."
Dit, in tegenstelling met hetgeen staat in v.7-8. Zie ook Ezech. 25 vers 8-11. Zie Deut. 23
v.3-8 geheel. De redenen waren:
a. ZE WAREN HUN "FAMILIE", DE ISRAËLIETEN BIJ HUN UITTOCHT
UIT EGYPTE OP DE WEG NIET MET BROOD EN WATER TEGEMOET GEKOMEN.
b. ZE HADDEN DE OKKULTIST BILEAM UIT MESOPOTAMIË, INGEHUURD
OM HEN TE VERVLOEKEN. Zie Deut. 23 v.4-5.
GENADE VOOR (krijgs)RECHT LATEN GELDEN.
David spaarde, tegen de toenmalige gewoonten in, het leven van het derde deel der
krijgsgevangenen, de Moabitische soldaten. 2 Sam. 8 v.2. Wel maakte David Moab schatplichtig. En
zo waren de rollen weer omgedraaid, want in Richt. 3 v.12-30 lezen we dat door de zonde der
Israëlieten, zij koning Eglon van Moab 18 jaar als schatplichtigen hadden moeten dienen. Het
al of niet "schatplichtig zijn" heeft dus een volk of een individu zelf in de hand.
DE VIJAND ZIT NOOIT STIL....
Verder zien we in 2 Sam. 8 v.3-6 dat steeds opnieuw de vijand probeert zijn machtsgebied
te vergroten of z.m. te heroveren. Zie 1 Sam. 14 v.47-48 en 52.Voorts zien we dat de vijanden van
David zich vaak met elkaar gaan verbinden, als ze het alleen niet aan kunnen. (v.5) In de
GEESTELIJKE WERELD zien we dit verschijnsel óók terug. In het boek Daniël zien we
een geestelijk SPIEGELBEELD, nl. een machtsbundeling in de hemelse gewesten. Dan. 10 v.20 tot hst.
11 v.1 laten ons zien dat de (demonische) vorst van Perzië, geassisteerd wordt door de
(demonische) vorst van Griekenland, dus twee grootmachten oftewel Onderkoningen van de Satan.
Tegenover hen staat dan de engel die aan Daniël verscheen, en DEZE wordt bijgestaan door
Michaël, vorst in de geestelijke wereld. Op zijn beurt had deze engel, Michaël weer
bijgestaan, bij een eerdere aangelegenheid, als helper. Dan. 11 v.l. Michaël wordt ook wel
genoemd: beschermengel of schutsengel. Hoe wij over het één en ander ook mogen denken, 2
Sam. 8 v.6b zegt: "DE HERE GAF DAVID DE OVERWINNING, OVERAL WAAR HIJ HEEN TROK." David was dus
kennelijk in Gods plan....
DAVID WERKT AL AAN EEN "BLAUWDRUK" VAN DE TEMPEL.
David's passie, zijn hartstochtelijke liefde, was om mede gestalte te geven aan de nog te
bouwen tempel en de grootheid van het Koninkrijk Gods, in de ZICHTBARE wereld tot uitdrukking te
brengen. Zie óók Ex. 25 v.9 en Hebr. 8 v.1-5. Zijn profetenhart, en dus ook zijn denken
was daar nu reeds op gericht. Dat zien we, na het verslaan van de koning van Zoba, nl. Hadadezer.
Hadad is de naam van een bekende afgod, ook wel Baäl genoemd. Hadadezer = HADAD IS
(mijn)HULP. Denk ook aan de naam Benhadad. Jer. 49 v.27. David was druk doende om bouwmaterialen
binnen te halen. In 2 Sam. 8 v.7-8 lezen we van de gouden schilden en véél koper. Spr.
16 v.7 zegt: "ALS IEMANDS WEGEN DE HERE BEHAGEN, DOET HIJ ZELFS DIENS VIJANDEN VREDE MET HEM
MAKEN." Dat zien we gebeuren als koning Toï, van een naburig rijkje, verneemt dat zijn
aartsvijand door David verslagen is. We zien hem dan d.m.v. zijn zoon Joram = de Heer is verheven,
gouden, zilveren en koperen voorwerpen meebrengen. Al deze kostbare schatten werden aan de Here
geheiligd. Zie 2 Sam. 8 v.9-12; Ps. 66 v.3; Matth. 2 v.8. Van al dit koper heeft Salomo later de
koperen zee gemaakt, de zuilen en het koperen gerei voor de tempel. 1 Kron. 18 v.8.
GEESTELIJKE SCHATTEN, IN DE PSALMEN VERBORGEN.
Ef. 3 v.8-11, Col. 1 v.25-27, Col. 2 v.2-3.
Het bovenstaande vinden we o.a. terug in een Psalm van Salomo nl. Ps. 72 v.8-11. In de berijmde
vorm spreken ze wellicht meer aan.
Ps. 72 vers 4:
't RECHTVAARDIG VOLK ZAL WELIG GROEIEN; DAAR TWIST EN WROK VERDWIJNT
ZAL ALLES DOOR DE VREDE BLOEIEN, TOTDAT GEEN MAAN MEER SCHIJNT.
VAN ZEE TOT ZEE ZAL HIJ REGEREN, ZOVER MEN VOLKEN KENT;
MEN ZAL HEM VAN D'EUFRAAT VEREREN TOT AAN DES AARDRIJKS END.
vers 5:
HET WOESTE VOLK ZAL VOOR HEM KNIELEN, ZIJN VIJAND LEKT HET STOF,
EN TARSIS VOERT MET RIJKE KIELEN, GESCHENKEN NAAR ZIJN HOF.
MET GIFTEN ZULLEN LANGS DE STROMEN DE KONINGEN DER ZEE
EN SCHEBA NEVENS SEBA KOMEN, HEM SMEKEND OM DE VREE.
Vers 6:
JA, ELK DER VORSTEN ZAL ZICH BUIGEN EN VALLEN VOOR HEM NEER
Al't HEIDENDOM ZIJN LOF GETUIGEN, DIENSTVAARDIG TOT ZIJN EER.
't BEHOEFTIG VOLK IN HUNNE NODEN IN HUN ELLEND' EN PIJN,
GANS HULPELOOS TOT HEM GEVLODEN ZAL HIJ TEN REDDER ZIJN.
Ten diepste bidt Salomo in deze Psalm het gebed des Heren zoals beschreven in Matth. 6 v.9-13
verwoord in onze Christelijke gezangen. "UW KONINKRIJK KOOM' TOCH, O HEER: AI, WERP DE TROON DES
SATANS NEER: REGEER ONS DOOR UW GEEST EN WOORD; UW LOF WORD' EENS ALOM GEHOORD, EN d'AARDE MET UW
VREES VERVULD, TOTDAT G'UW RIJK VOLMAKEN ZULT.
Evenals David dit was, was óók Salomo een type van Christus, de VREDEVORST.
DE VALSE KERK ZAL BEROOFD WORDEN.
Babylon zal beroofd worden van al haar schatten, zie Openb. 18. Maar het Nieuwe Jeruzalem,
beeld van de gemeente van Jezus Christus, wordt in Openb. 21 beschreven als een stad die de
heerlijkheid van God in zich heeft, v.10-11, en als ommuurd door diamant en daarbinnen zuiver goud
(v.18). Ja zelfs de fundamenten worden omschreven als diamant en allerlei kostbaar edelgesteente
en parels. Als profeet moet David al enig zicht gehad hebben op de geestelijke hemelse
werkelijkheid van het Israël Gods, het Nieuwe Jeruzalem, de gemeente van Jezus Christus.
Alleen David moest het nog tot uitdrukking brengen in de ZICHTBARE WERELD.....
WIE ROEMT, ROEME IN DE HERE.
David verwierf zich roem toen hij, terugkerend van het verslaan der Arameeërs, de
Edomieten versloeg in het zoutdal. 2 Sam. 8 v.13. In de natuurlijke wereld werd toen Gods woord
vervuld, beschreven in Gen. 25 v.23. In geestelijk opzicht is dit woord nog steeds in werking.
Ezech. 25 v.12-14 spreekt als profeet duidelijker in geestelijke zin, een profetie die de eeuwen
overbrugt Zie bv. v.15 en Ezech. 28 v.11-19; Amos 9 v.11-12. Er lijkt een grote tegenstelling te
liggen tussen enerzijds Ezech. 25 v.12-14 en anderzijds Deut. 23 v.7, waar God zegt: "DE EDOMIET
ZULT GIJ NIET VERAFSCHUWEN, WANT HIJ IS UW BROEDER." en "DE EGYPTENAAR ZULT GIJ NIET VERAFSCHUWEN
WANT GIJ ZIJT VREEMDELING GEWEEST IN ZIJN LAND." Ezechiël spreekt over de "GEESTELIJKE
EDOMIET", maar Deut. spreekt over het familielid Edom, dat is Ezau, de broer van Jacob. 2 Sam. 8
v.13 vermeldt dat David zich roem verwierf, maar als we Ps .60 lezen, David's gebed om
overwinning, voordat hij de strijd aanbond met de reeds genoemde volken, dan zien we opnieuw
David's grootheid in zijn nederige afhankelijkheid van God. De verzen 11-14 zijn tekenend voor
David's hartsgesteldheid:
WIE ZAL MIJ NAAR DE VERSTERKTE VESTE BRENGEN, WIE ZAL MIJ NAAR EDOM GELEIDEN? ZIJT Gij HET NIET, O GOD, DIE ONS VERSTOTEN HAD: ZULT GIJ, O GOD, NIET UITTREKKEN MET ONZE HEERSCHAREN? BIEDT ONS HULP TEGEN DE TEGENSTANDER, WANT MENSELIJKE HULP IS IJDEL. MET GOD ZULLEN WIJ KLOEKE DADEN DOEN, WANT HIJZELF ZAL ONZE TEGENSTANDER VERTREDEN.
Ps. 60 v.3-7: Kennelijk heeft men ergens een slag verloren en nu tracht men zijn geestelijke balans weer te hervinden door het claimen van beloften die God gedaan heeft, recentelijk of reeds (veel) eerder. In v.14 is alles weer verwerkt en is men gereed voor de strijd.
Met de reeds genoemde uitspraak in Deut. 23 v.7 dat Edom, hun broeder is (nageslacht van Ezau) die ze NIET mochten verafschuwen, worden we als het ware verplaatst naar het NIEUWE verbond, waar geleerd wordt: "...WANT WIJ HEBBEN NIET TE WORSTELEN TEGEN BLOED EN VLEES, MAAR TEGEN DE OVERHEDEN, TEGEN DE MACHTEN, TEGEN DE WERELDBEHEERSERS DEZER DUISTERNIS, TEGEN DE BOZE GEESTEN IN DE HEMELSE GEWESTEN..." Efeze 6 v.10-13. Ook Matth. 5 v.43 spreekt: "GIJ HEBT GEHOORD, DAT ER GEZEGD IS: GIJ ZULT UW NAASTE LIEFHEBBEN EN UW VIJAND ZULT GIJ HATEN. MAAR IK ZEG U: HEBT UW VIJANDEN LIEF." Zie ook Luc. 6 v.27-28.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 37: (2 Sam. 8 v.2-14; 1 Kron. 18 v.1-13).
VRAAG 1: Waarom zou Gods norm t.a.v. de 7 Kanaänitische volken,
anders zijn dan de zg. broedervolken, Moab en Ammon?
VRAAG 2: Hoe is de radicaliteit te verklaren die de Moabiet buiten de
gemeente des Heren moest houden? Welke redenen geeft de bijbel aan?
VRAAG 3: Hoe zou in de 21e eeuw iemand "SCHATPLICHTIG" kunnen zijn?
VRAAG 4: Kun je een paar voorbeelden noemen van legers van
verschillende "landen" die tezamen optrekken tegen Gods volk, zowel in de natuurlijke als in de
geestelijke wereld?
VRAAG 5: Hoe zouden wij als Christenen, heden, het Koninkrijk Gods nog
meer "GESTALTE" kunnen geven?
VRAAG 6: Kunnen wij, op de één of andere wijze óók
"SCHATTEN" verzamelen voor de "TEMPEL" net als Salomo deed?
VRAAG 7: Geef je mening eens over Ps. 72 v.6 (berijmd).
VRAAG 8: Noem eens een paar van de"schatten" van Babylon.
VRAAG 9: Zouden we de beelden, uitgedrukt in GOUD, EDELGESTEENTE,
PARELS etc. nu moeten verklaren: LETTERLIJK in de NATUURLIJKE WERELD of.... LETTERLIJK in de
GEESTELIJKE WERELD, om de heerlijkheid van God en Zijn gemeente tot (begrijpelijke) uitdrukking te
brengen?
VRAAG 10: Probeer die schijnbare tegenstelling eens te verklaren van de
benaderingswijze van de Edomiet (en de Egyptenaar) gezien resp. vanuit Ezech. 25 en Deut. 23.
VRAAG 11: Als je bedenkt dat Edom veilig woonde in hun sterke
bergvestingen en met elkaar communiceerden d.m.v. vuursignalen, is dan Ps. 60 v.11-14 te
verklaren?
VRAAG 12: Leg Luc. 6 v.27-28 eens naast Ef. 6 v.10-18 en bedenk dat het
koningsgeslacht van de Herodussen, EDOMIETEN waren, wat is dan je oordeel over Matth. 2 v.7-8 en
13-18 en Hand. 12 v.21-23?
2 Sam. 4 v.4; 2 Sam. 9 v.1-13; 2 Sam. 16 v.1-4; 2 Sam. 19 v.24-30; 2 Sam. 21 v.7-8; 1 Kron. 8
v.29-35.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE.
Met Mefiboseth bevinden we ons weer "midden" in het nageslacht van koning Saul en zijn
zoon Jonathan. Zijn naam is het vermelden waard.
Zijn oorspronkelijke naam was MERIB-BAÄL = Baäl bestrijder, echter óók wel
vertaald met: Baäl strijdt of mijn heer is Baäl.
Met deze naam was men niet zo gelukkig zodat er div. ombuigingen werden aangebracht. Uiteindelijk
kreeg hij de naam MEFIBOSETH = DIE SCHANDE VERBREIDT.
Het geslacht van koning Saul was als een aanvankelijk bruisend bergbeekje, die als het ware
EERLOOS eindigde in een onvruchtbare woestijn, tot er (hoegenaamd) niemand meer over was
gebleven.
Jer. 17 v.5-6.
DE ONDERGANG VAN SAUL'S GESLACHT.
(Een markant gegeven is dat Saul's oudste dochter Merab eerder reeds aan David als vrouw was
toegezegd, maar NIET gegeven.) 1 Sam. 18 v.17.
- Saul's jongste dochter Michal werd de vrouw van David, maar zij stierf KINDERLOOS, want ze was
ONVRUCHTBAAR. 1 Sam. 14 v.49; 1 Sam. 19 v.11; 1 Sam. 25 v.44; 2 Sam. 6 v.16 en 20-23.
Het bovenstaande overziende zou je kunnen zeggen dat Saul's geslacht hiermede als het genoemde beekje, was doodgelopen in het woestijnzand. 1 Sam. 15 v.23.
HET DRAMA IN EEN KINDERLEVEN.
OP het geslacht van Saul lag een schuld en ook een BLOEDSCHULD. Als koning was hij door
God verworpen vanwege zijn ongehoorzaamheid en ongezeglijkheid. 1 Sam. 15 v.10 en 22-23. Aan het
einde van zijn leven raakte hij óók nog verstrikt in de zonde van het occulte, het
spiritisme. Als stamhouder betrok hij daarmede ook zijn gezin in de vloek. Spr. 3 v.33; Mal. 2
v-1-3. De dramatische (voorlopige) "oplossing" van het VLOEK-PROBLEEM, was in het oude verbond de
dood(straf). Pas in het NIEUWE verbond kwam de eeuwige oplossing. Zie Gal. 3 v.13. Op
één dag sneuvelden Mefiboseth's vader Jonathan, zijn grootvader en nog 2 ooms. Op
diezelfde dag nam zijn voedster in haastige paniek de kleine Mefiboseth op, van 5 jaar oud, en
vluchtte. Ze liet hem echter vallen en Mefiboseth bleef kreupel, verlamd aan beide voeten... 2
Sam. 4 v.4 en 1 Sam. 31 v.7-9. De Staten vertaling zegt: "...GESLAGEN WAS AAN BEIDE VOETEN..."
Nooit zou hij in aanmerking komen om b.v. net als David, als een vorst voor zijn volk uit te
schrijden of met hen ten strijde uit te trekken o.i.d.
Toch was hij de zoon van een kroonprins, nl. Jonathan en de eerste troonopvolger. Maar in Gods ogen was dit een DOODLOPENDE WEG. Bedenken we nog even het uitsterven van dit koningshuis, beschreven op de vorige bladzijde, dan roept zijn naam MEFIBOSETH = DIE SCHANDE VERBREIDT, deerniswekkende gevoelens op. Als laatst overgeblevene draagt hij in zijn naam en in zijn verlamde voeten, de vloek zichtbaar mede. Dat geldt beslist NIET voor elke verlamde etc.
DAVID HERINNERT ZICH ZIJN EED.
Toen David de macht goed in handen had en RECHT en GERECHTIGHEID onder zijn gehele volk
handhaafde (2 Sam. 8 v.15) kwam hem de eed in herinnering die hij aan Jonathan gezworen had. 1
Sam. 20 v.15-17. De vraag van David brengt een wereld in beweging. "DAVID ZEIDE: IS ER SOMS NOG
IEMAND OVER VAN HET HUIS VAN SAUL, DAN ZAL IK HEM TROUW BEWIJZEN TER WILLE VAN JONATHAN. 2 Sam. 9
v.1. In 2 Sam. 21 v.7 staat: "Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan.... vanwege
de eed." Het is toch zeer wel mogelijk dat het ter dood brengen van de 7 nazaten van Saul reeds
heeft plaatsgevonden voor de geschiedenis met Mefiboseth.
MEFIBOSETH, VAN DODE HOND TOT KONINGSZOON.
Toen uiteindelijk, door bemiddeling van Ziba (een vroegere knecht van koning Saul),
Mefiboseth, de zoon van Jonathan, binnen kwam, wierp hij zich op zijn aangezicht en boog zich
neer. De woorden die David dan spreekt zijn van diepe betekenis: "VREES NIET, WANT IK WIL
BARMHARTIGHEID AAN U DOEN, TERWILLE VAN JONATHAN, UW VADER, EN IK ZAL U AL DE AKKERS VAN UW
(groot)VADER SAUL WEDERGEVEN EN GIJ ZULT DAGELIJKS AAN MIJN TAFEL BROOD ETEN." 2 Sam. 9 v.1-8. Als
Mefiboseth dan antwoordt met de woorden: "WAT IS UW KNECHT DAT GIJ U BEKOMMERT OM EEN DODE HOND,
ZOALS IK BEN" dan is het kontrast op haar grootst.
Voegen we daar nog bij 2 Sam. 9 v.9-13 dat het huis van Ziba met zijn 15 zonen en 20 knechten,
het land voor hem bewerkten en de vruchten moesten afdragen aan hun heer Mefiboseth, als zijnde
zijn
knechten.... dan kan als KROON op deze VORSTELIJKE beslissing gezien worden, Mefiboseth's
verheffing tot ZOON VAN DE KONING.
2 Sam. 9 v.11b in de St. vert. zegt:
"OOK ZOU MEFIBOSETH, ETENDE AAN MIJNE TAFEL, ALS ÉÉN VAN DES KONINGS ZONEN ZIJN."
Dat de zoon van Mefiboseth, MICHA heette = WIE IS ALS (God) is treffend. Zo werd deze kreupele man
als één van des konings zonen, een hoog verheven (blijvende) inwoner van Jeruzalem.
VALT HIER NOG IETS VAN TE LEREN?
De hele dramatische ontwikkeling van het geslacht van koning Saul, vooral beschreven in
DEEL I van deze bijbelstudie, en eindigend in de dood van vrijwel zijn gehele nageslacht (waar
iedere Israëliet zo zeer bevreesd voor was) blijkt toch nog een "VLUCHTWEG" te kennen. Het
huis van Saul was als een uitgedroogde beek, maar in het hart van Jonathan was een bron, een
ZUIVERE BRON ontsloten.
Alhoewel Jonathan sneuvelde en zijn enige(?) zoon verlamd was en zich zelf(s) als een nietswaardige dode hond zag, werd hij méér dan begenadigd door koning David. Waren óók wij niet de honden die van de kruimels aten, die van de tafel vielen. Matth. 15 v.21-28 en Matth. 7 v.6. Gold voor ons aanvankelijk ook niet het principe: "GEEF HET HEILIGE NIET AAN DE HONDEN." En nu zien we dat óók wij, in de zoon van David = in Christus Jezus worden uitgenodigd om met Hem aan tafel te komen zitten.
KOM TOCH (óók) AAN TAFEL...
Als we in een nederige houding komen, zoals Mefiboseth = die schande verbreidt, als
berouwvolle zondaars die uitroepen: "WAT IS UW KNECHT, DAT GIJ U BEKOMMERT OM EEN DODE HOND, ZOALS
IK BEN" = een verloren zondaar, die zijn zonde = ZIJN SCHANDE draagt, dan geldt de uitnodiging U
en mij. Luc. 22 v.29-30 leert ons:
"EN IK BESCHIK U HET KONINKRIJK.... OPDAT GIJ AAN MIJN TAFEL EET EN DRINKT IN MIJN
KONINKRIJK...."
Wij, als "MEFIBOSETHS" kregen te horen: "ZIE, IK HEB MIJN MAALTIJD BEREID... KOMT TOT DE
BRUILOFT." v.4. Matth. 22 v.1 en 9-10. Velen bleven hun schande (zonde) dragen en gingen NIET op
de dringende uitnodiging in. Toen kwamen de bedelaars, de misvormden (denk aan Mefiboseth en
blinden en lammen. v.21. En nog is er plaats aan de tafel van de Heer. Luc. 14 v.15-23.
ER WORDT NOG STEEDS GEKLOPT.
Openb. 3 v.20 zegt ook nu nog steeds: "ZIE, IK STA AAN DE DEUR EN IK KLOP. INDIEN IEMAND
NAAR MIJN STEM HOORT EN DE DEUR OPENT, IK ZAL BIJ HEM BINNEN KOMEN EN MAALTIJD MET HEM HOUDEN EN
HIJ MET MIJ." Jonathan's (na)geslacht werd toch nog gered. Zijn naam betekent: "DE HEER HEEFT
GEGEVEN." In een zeer bijzondere zin is toch nog gebeurd, dus gerealiseerd in de "Mefiboseths",
dus in ons, wat Jonathan stellig verwachtte: "GIJ (David) ZULT KONING OVER ISRAEL ZIJN, EN IK ZAL
ONMIDDELLIJK ONDER U STAAN." 1 Sam. 23 v.17-18. Werd Mefiboseth niet tot één der zonen
van koning David.... 2 Sam. 9 v.11. Gal. 3 v.26 zegt: "Want gij zijt allen ZONEN VAN GOD, door het
geloof in Christus Jezus = de Zoon van David. Zie ook Gal. 4 v.4-7; Rom. 8 v.19 en 9 v.26; Hebr. 2
v.10. Ef. 1 v.5-6: "In liefde heeft Hij ons tevoren er toe bestemd ALS ZONEN VAN HEM te worden
AANGENOMEN, door Jezus Christus." Zijn wij, "MEFIBOSETHS" geen aangenomen zonen van onze Heer???
Wij mogen als "VERLAMDE MEFIBOSETHS" door de kracht van de Heilige Geest, ontwikkelen tot
strijders die overwinnaars worden. Openb. 21 v.7: "WIE OVERWINT... EN IK ZAL HEM EEN GOD ZIJN EN
HIJ ZAL MIJ EEN ZOON ZIJN."
EEN PSYCHOLOGISCHE VOLTREFFER.
Nog eenmaal horen we van Mefiboseth als David in zeer benarde omstandigheden is gekomen
door de revolutie van Absalom. In 4 verzen wordt een situatie geschetst. Ziba, de vroegere knecht
van koning Saul wist precies waarmede hij bij David een "VOLTREFFER" kon plaatsen, door te
liegen:
"Zie, hij (Mefiboseth) blijft te Jeruzalem, want hij zeide: HEDEN zal mij het huis ISRAËLS
mijn vaders koninkrijk wedergeven. 2 Sam. 16 v.3. Deze leugen sloot precies aan op de vervloeking,
even later door Simeï. Zie 2 Sam. 16 v.5-13, spec. v 8. Het was met Absalom, met Ziba en met
Simeï een duivelse poging om David van de troon te krijgen. Ieder van de drie had zijn eigen
belangen... Met het geschenk in de vorm van beladen ezels (v.2) was het Ziba's tactiek de ogen van
de koning te verblinden, en met succes, maar ZELF was hij een man BOOS VAN OOG, DIE HUNKERT NAAR
RIJKDOM. Spr. 28 v.22 en Spr. 18 v.16. Een geschenk verblindt de ogen der wijzen (bv. David) en
verdraait de woorden der onschuldige ,zegt Deut. 16 v.19b. In David's benarde situatie sloten de
(zo broodnodige) voedselgeschenken zijn ogen (tijdelijk) toe. Een gebod uit Exod. 23 v.8 bevestigt
dit: "EEN GESCHENK ZULT GIJ NIET AANNEMEN, WANT EEN GESCHENK MAAKT ZIENDEN BLIND EN VERDRAAIT DE
ZAAK DER ONSCHULDIGEN."
TOEN DE KANSEN GEKEERD WAREN.
Maar toen de kansen gekeerd waren en Absalom dood was, zie je bij de drommen die David
weer binnen halen o.a.: zie 2 Sam. 19 v.9-23.
a. Ziba met zijn zonen en knechten. v.17.
b. Mefiboseth. v.24-30.
Uit alles blijkt het bedrog van Ziba en de oprechte woorden van Mefiboseth. Zijn vreugde is
gelegen in de terugkeer van de koning. Hij is zeer dankbaar voor de GENADE die hem eerder was
verleend en hij verkiest het eten aan de tafel van de koning ver boven de betrekkelijkheid van een
tijdelijk aards bezit.
In andere woorden gezegd, Mefiboseth kon aanzitten aan de overvloedige tafel van de koning en
zingen:
"HE BROUGHT ME TO HIS BANQUETING TABLE
AND HIS BANNER OVER ME IS LOVE" lied Opwekking nr. 19.
Mefiboseth gunt zijn bedriegende knecht Ziba al zijn aardse, stoffelijke bezittingen. Heden
zouden we het kunnen zingen met lied 458 uit J. de H.:
"NEEM DE WERELD, GEEF MIJ JEZUS, WERELD VREUGD' GAAT RAS VOORBIJ.
MAAR DE LIEFDE VAN MIJN HEILAND, BLIJFT VOOR EEUWIG RIJK EN VRIJ."
Zie Luc. 12 v.33-34 en v.13-21; Matth. 19 v.21-26.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 38:
(2 Sam. 4 v.4; 2 Sam. 9 v.1-13; 2 Sam. 16 v.1-4; 2 Sam. 19 v.24-30; 2 Sam. 21 v.7-8; 1 Kron. 8
v.29-35.)
VRAAG 1: Geef je mening eens over het gegeven dat Saul, als stamhouder,
zijn hele familie kennelijk mee (be)trok in de vloek der zonde(n). Denk aan de zonde van Adam.
VRAAG 2: Tracht eens een paar voorbeelden te geven van "MODERNE"
zonden, waarin (vele) anderen mee gesleurd worden of kunnen worden.
VRAAG 3: Zet nog eens op een rijtje, waarom de "WEG" van Saul, via
Jonathan naar Mefiboseth, in Gods ogen een "DOODLOPENDE WEG" was.
VRAAG 4: Kan er heden op een persoon of familie ook een vloek
rusten?
VRAAG 5: Waarom brengt David herhaaldelijk de naam van zijn gesneuvelde
boezemvriend Jonathan ter sprake?
VRAAG 6: Waarom zou in bijbelse tijden het woord (dode) hond zo
dikwijls gebruikt zijn?
VRAAG 7: Vind je dat er voor ons heden een geestelijke les zit in de
geschiedenis van Mefiboseth, die als één der zonen van de koning dagelijks aan zijn
tafel mocht eten? Welke les zit er in?
VRAAG 8: Tracht eens Matth. 7 v.6 te verklaren.
VRAAG 9: Geef eens een voorbeeld van de "MISVORMDEN, BLINDEN, en
LAMMEN" die heden worden uitgenodigd voor het bruiloftsmaal.
VRAAG 10: Wat is de diepere, geestelijke=bijbelse betekenis van:
MAALTIJD MET IEMAND HOUDEN?
VRAAG 11: Acht je het waarschijnlijk dat Jonathan in 1 Sam. 23 v.
17-18, eigenlijk een profetie uitsprak? Verklaar je antwoord.
VRAAG 12: Is Efeze 1 v.5-6 een vervulling in het zg. NIEUWE VERBOND van
het voorbeeld uit het OUDE VERBOND, waar Mefiboseth als een AANGENOMEN ZOON aan David's tafel
mocht eten?
VRAAG 13: David was weliswaar nu koning over alle stammen van
Israël, maar steeds ontstaan er vanuit het NIET-Judese deel weer moeilijkheden. Hoe verklaar
je dit? Zie 2 Sam. 16.
VRAAG 14: Wie sprak naar jouw mening de waarheid, Ziba of
Mefiboseth.
VRAAG 15: Kunnen geld, goederen en giften vandaag de dag de mensen ook
nog op de verkeerde weg brengen.
VRAAG 16: Doet de keuze die Mefiboseth maakte nl. géén
landbezit, maar wel altijd bij zijn koning zijn, je niet denken aan Jezus' uitspraak: "...MARIA
HEEFT HET BETERE DEEL GEKOZEN" en "ER IS SLECHTS WEINIG NODIG, OF SLECHTS ÉÉN DING.
MARIA DAN HEEFT HET BESTE DEEL UITGEKOZEN DAT HAAR NIET ONTNOMEN ZAL WORDEN." Luc. 10 v.41-42.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. (2 Sam. 10 v.1-19; 2 Sam. 12
v.26-31; 1 Kron. 19 v.1-19; 1 Kron. 20 v.1-3.)
Als op een dag de (oude) koning der Ammonieten, nl. NAHAS, sterft en David afgezanten stuurt met
absoluut vriendschappelijke bedoelingen, dan komt hij bedrogen uit. De zeer beledigende daad die
de jonge koning HANUN uithaalt, brengt als het ware een keten van oorlogen in beweging, waarbij
David en de zijnen als overwinnaars tevoorschijn komen.
EEN SCHURKENSTREEK.
De oude koning der Ammonieten is gestorven. Kennelijk heeft hij met koning David altijd
goede betrekkingen gehad. 2 Sam. 10 v.2. Met koning Saul was dit toentertijd anders geweest. Want
deze koning Nahas = SLANG, wilde bij alle inwoners van Jabes in Gilead het rechter oog uitsteken
en ze daarmede dus ongeschikt maken voor de krijgsdienst, om van de diepe vernedering nog maar te
zwijgen. Geheel Israël echter, onder aanvoering van koning Saul wist de Ammonieten
verpletterend te verslaan. 1 Sam. 11. De raadgevers van deze nieuwe koning HANUN = favoriet,
sisten (als slangen) allerlei laster in de oren.
Wie de gezanten van de koning van Israël, de helft van de baard afscheert en hun kleren,
halverwege tot hun achterste afsnijdt en zo terugzendt, geeft daarmee een soort oorlogsverklaring
af. In het Oosten staat deze daad gelijk aan iemand een grote schande aandoen door baard en
hoofdhaar half af te scheren, daar baard en hoofdhaar het sieraad van de vrije man zijn. Dat deze
haren een symbolische betekenis hebben in de bijbel, moge o.a. blijken uit Ezechiël 5 en Lev.
21 v.5.
HOE DAAG JE JE TEGENSTANDER UIT?
De Ammonieten begrepen dat ze met hun daad, als het ware een OORLOGSVERKLARING hadden
afgegeven. Van links en rechts worden nu soldaten gehuurd, o.a. div. legertjes Arameeërs. Van
Israël's kant trok het leger met de beroepssoldaten uit onder aanvoering van Joab. zie 2 Sam.
10 o.a. v.6. Aram was een HARDNEKKIGE vijand, die steeds weer Israël aanviel. zie 2 Kon. 6
v.8-23; 2 Kon. 13 v.3-7 en v.17-19. De verwantschap tussen de Ammonieten en Israël was groter
dan met de Arameeërs. De eersten waren nageslacht van Lot. zie les 37 en Ps. 83 v.2-9.
HOE MOTIVEER JE EEN LEGER TEN STRIJDE?
Joab wist, vooraf aan de strijd, zijn leger te motiveren, want strijd mag nimmer een doel
op zichzelf zijn. De geestelijke lessen die we er nog uit kunnen leren zijn:
a. STEUN ELKAAR IN DE GEESTELIJKE STRIJD. zie 2 Sam. 10 v.11 en
Fil. 4 v.3.
b. JOAB ZEI, WAT PAULUS OOK ONGEVEER ZEI in 2 Cor. 16 v.13:
"BLIJFT WAAKZAAM, STAAT IN HET GELOOF, WEEST MANLIJK, WEEST STERK." zie 2 Sam. 10 v.12.
c. DE INZET VAN DE STRIJD WAS VOOR RESP.: HET VOLK, te vergelijken
met DE GEMEENTE VAN JEZUS CHRISTUS
Paulus zei in Col. 1 v.24-29: "HIERVOOR SPAN IK MIJ OOK IN, ONDER ZWARE STRIJD..."
DE STEDEN VAN ONZE GOD. De Zoon van David zei eens tegen Zijn leerlingen: "WEES NIET BEVREESD, GIJ
KLEIN KUDDEKE. WANT HET HEEFT UW VADER BEHAAGD U HET KONINKRIJK TE GEVEN." Dus... verdedig het
geestelijk erfgoed, dat God jullie geschonken heeft en geef het nimmer prijs aan de
tegenstander.
d. JOAB STELDE VAST: "DE HERE DOE WAT GOED IS IN ZIJN OGEN."
Hieruit spreekt een overgave van de gehele situatie aan God en een (diepe) afhankelijkheid van de
Almachtige. ESTHER SPRAK: "KOM IK OM, DAN KOM IK OM" en ze waagde haar leven. Hst. 4 v.16 en hst.
5 v.1-2.
PAULUS BRENGT HET WEER MET ANDERE WOORDEN in 2 Cor. 6 v.2-10: "...IN VEEL DULDEN, IN VERDRUKKINGEN, IN NODEN, IN BENAUWDHEDEN, IN SLAGEN, IN GEVANGENSCHAPPEN, IN OPROEREN, IN MOEITEN, IN NACHTEN ZONDER SLAAP, IN DAGEN ZONDER ETEN" etc. Maar opgeven… dáár was geen sprake van.
Toen alle BEmoedigingen en alle AANmoedigingen (a t/m d) door Joab uitgesproken waren, bond het krijgsvolk de strijd aan en de vijand sloeg op de vlucht.
HERGROEPERING VAN DE DIVERSE ARAMESE STAMMEN.
Als de vijand één keer verslagen is, menen we dat hij nooit meer terug zal
komen. In onze geestelijke oorlogvoering beleven we het verschijnsel van het keer op keer
aangevallen worden. Onze verantwoordelijkheid is echter deze: "BIEDT WEERSTAND AAN DE DUIVEL."
Jac. 4 v.7 en 1 Petr. 5 v.8.
We zien in het Oude Testament meer dan eens vijandelijke legers samen optrekken tegen Israël,
zoals hier de verzamelde Aramese stammen. Hun vorst was HADADEZER = Hadad is (mijn) hulp. Hadad
was de Aramese ONWEERSGOD. En de legers verzamelden zich te HELAM = kracht van het volk. 2 Sam. 10
v.15-19. Opnieuw (v.6) ging het initiatief voor de oorlog van de vijand uit. (v.15). Heel
Israël, onder leiding van hun koning David, verpletterde de vijand. Toen al de koningen,
vazallen van HADADEZER, bemerkten dat zij door Israël verslagen waren, sloten zij vrede met
Israël en onderwierpen zich aan hen… 2 Sam. 10 v.19.
PROFETISCHE PERSPECTIEVEN OFTEWEL VERGEZICHTEN.
In Openb. 19 v.11-16 zien we reeds een aantal overeenkomsten met de strijd, beschreven in
2 Sam. 10 en 2 Sam. 12 v.26-31; 1 Kron. 19 v.1-19; 1 Kron. 20 v.1-3.
De Zoon van David (net als David zelf) voert oorlog in gerechtigheid. In plaats van het metalen
zwaard (zoals in David's leger) is nu het Woord van God, het zwaard waarmee de vijand wordt
verslagen. David liet de bevolking naar buiten brengen en hen onder zagen, pinnen en bijlen
zwoegen of bij de tichelwerken (stenen) slavenwerk verrichten. 1 Kron. 20 v.3 vertaalt deze
passage met: "haar bevolking liet hij naar buiten brengen en in stukken delen met … " Welke
vertaling ook de meest juiste is, in beide gevallen komt het overeen met hetgeen over de Zoon van
David wordt geschreven: "hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods des
Almachtigen." v.15.
JOAB, TOCH EEN BEETJE PROFEET??
Tenslotte is er nog een heel markante overeenkomst. Het gebeurde een jaar later dat de
strijd afgerond werd. Joab gunde aan David de eer om de KONINGSSTAD der Ammonieten, nl. RABBA =
GROTE STAD, in te nemen. 2 Sam. 12 v.26-28. Zodoende kon de naam van David over deze (veroverde)
stad uitgeroepen worden. Anders zou het niet harmoniëren met het profetische beeld van het
geheel. Door David werd nu de KROON genomen van het hoofd van deze verslagen koning van DE GROTE
STAD (= Rabba). Deze kroon had een gewicht van één talent goud, d.w.z. deze woog ong. 50
KG., dus te zwaar om op het hoofd te worden gedragen, maar wel symbolisch voor veel macht en
heerlijkheid.
In Openb. 19 v.12 wordt vermeld over de Zoon van David: "EN ZIJN OGEN WAREN EEN VUURVLAM " beeld
van de onoverwinnelijke kracht van de Heilige Geest. In deze kracht maakt hij zich gereed tot de
strijd. "EN OP ZIJN HOOFD WAREN VELE KRONEN."
ÉÉN OF VELE KRONEN.
In Openb. 6 v.2, bij het begin der eindstrijd, wordt nog gesproken over één
kroon, maar in Openb. 19, zo tegen het einde der eindstrijd, heeft HIJ VELE KRONEN op Zijn hoofd.
De ZEER ZWARE KROON, te vergelijken met de "VELE KRONEN", met de kostbare steen die op David's
hoofd werd gezet, is symbolisch voor de macht en heerlijkheid die Jezus Christus, tezamen met de
zonen Gods, veroverd heeft op de vijand of nog veroveren zal in deze eindtijd. "EN HIJ VOERDE MIJ
WEG IN DE GEEST OP EEN GROTE EN HOGE BERG EN TOONDE MIJ DE HEILIGE STAD, JERUZALEM, NEDERDALENDE
UIT DE HEMEL, VAN GOD." Openb. 21 v.10.
We zagen reeds eerder dat de buit, de duurzame goederen, die op de vijand veroverd werden, o.a.
werden gebruikt voor de nog te bouwen tempel te Jeruzalem. Jeruzalem is steeds het centrale punt,
de uitvalsbasis en thuisbasis waar koning David zetelde en waarvan David in Psalm 9 zegt: "GIJ
HEBT DE VOLKEN GEDREIGD, DE GODDELOZEN TE GRONDE GERICHT, HUN NAAM HEBT GIJ UITGEWIST VOOR ALTOOS
EN IMMER. DE VIJANDEN ZIJN WEG, EEUWIGE PUINHOPEN, WANT STEDEN HEBT GIJ VERWOEST, ZELFS HUN
GEDACHTENIS IS VERGAAN. MAAR DE HERE ZETELT VOOR EEUWIG.... PSALMZINGT DE HERE, DIE OP SION
WOONT." v.12.
SION oftewel Jeruzalem, beeld van het NIEUWE JERUZALEM = de gemeente van Jezus Christus, HOOFD
(Jezus Christus) en LICHAAM (Zijn gemeente) tezamen, de "plaats" van waaruit Hij Zijn Koningschap
zal proclameren.
In het lied met de oorspronkelijke titel: "YOU ARE CROWNED WITH MANY CROWNS", weergegeven in lied
114 van Opwekking, vinden we Openb. 19 v.12 terug. De vertaling: "HEER, U DRAAGT DE HOOGSTE KROON,
DE SCEPTER VAN RECHTMATIGHEID" blijft mijns inziens toch iets achter bij de diepe inhoud van
Openb. 19 v.12: "HIJ DROEG EEN NAAM, DIE NIEMAND VERSTAAT DAN HIJZELF. HIJ WAS OMHANGEN MET EEN
KLEED, GEDRENKT IN BLOED. ZIJN NAAM WORDT GEHETEN: HET WOORD VAN GOD." v.12b en 13.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 39:
(2 Sam. 10 v.1-19; 2 Sam. 12 v.26-31; 1 Kron. 19 v.1-19; 1 Kron. 20 v.1-3.)
VRAAG 1: Zou je kunnen stellen dat het "SLANGENGIF" uit Gen. 3 aan het
gehele koninklijke hof der Ammonieten, volop functioneerde? Om welke redenen vind je dat?
VRAAG 2: Probeer aan de hand van Ezechiël hst. 5 en Lev. 21 v.5
eens de symbolische betekenis van haar te vinden zoals Ezechiël dat duidelijk moest
maken.
VRAAG 3: Waaruit blijkt de hardnekkigheid van Aram?
VRAAG 4: Geef je mening eens over de vier motieven die Joab aan zijn
manschappen meegaf (a t/m d). Gelden deze ook bij onze geestelijke strijd?
VRAAG 5: Zou je ook in de voetsporen van Joab, Esther of Paulus willen
treden bv. zoals beschreven in 2 Cor. 6 v.2-10?
VRAAG 6: Geef eens enkele voorbeelden uit het Oude verbond dat de
vijanden GEZAMENLIJK tegen Israël optrekken. Ps. 83 en Openb. 19 v.17-19. Kun je ook
voorbeelden noemen van een gezamenlijke geestelijke oorlog, HEDEN?
VRAAG 7: Wij kunnen allerlei "PUUR MENSELIJKE" redeneringen aanvoeren
om onze mening tot uiting te brengen over de begrippen RECHTVAARDIG of ONRECHTVAARDIG etc. Probeer
uit de tekst: "HIJZELF TREEDT DE PERSBAK VAN DE WIJN DER GRAMSCHAP VAN DE TOORN DES ALMACHTIGEN"
uit Openb. 19 v.15, nu eens de begrippen: TOORN, STRAF en GERECHTIGHEID te beschrijven, BIJBELS
GEFUNDEERD.
VRAAG 8: Joab en David hebben verschillende keren met elkaar overhoop
gelegen bv. in 2 Sam. 3 v.22-39; 2 Sam. 19 v.1-8; 1 Kon. 2 v. 5-6. In 2 Sam. 12 v.26-28 wordt iets
(heel) anders van Joab vermeld. Geef je mening eens over het totale leven van Joab, zowel positief
als negatief.
VRAAG 9: Is de zeer zware kroon van ong. 50 KG naar jouw mening een
"WEERSPIEGELING" van de vele kronen die Jezus Christus heeft veroverd?
VRAAG 10: Geef eens een omschrijving van het begrip SION.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 2 Sam. 11 v.1-27.
Het boek Kronieken beschrijft deze zwarte bladzijde uit David's leven NIET, in tegenstelling met
vele andere gebeurtenissen uit het leven van David. David probeert op allerlei listige manieren,
zijn schuld te bedekken, beter gezegd te camoufleren en maakt zo deze zaak alleen maar van kwaad
tot erger. We zien dat zonde ALTIJD gevolgen heeft. Deze zonde moet zich hebben afgespeeld tussen
de grote overwinning die David op de Arameeërs behaalde (2 Sam. 10 v.15-19) en het langdurig
beleg van de hoofdstad RABBA. Deut. 3 v.11; 2 Sam. 11 v.1. De nasleep van David's zonde was zeer
dramatisch en langdurig.
DE HERE HEEFT UW ZONDE VERGEVEN; GIJ ZULT NIET STERVEN, OFSCHOON GIJ DOOR
DEZE DAAD DE VIJANDEN DES HEREN ZEER HEBT DOEN LASTEREN. 2 Sam. 12 v.13-14.
In de 39 voorafgaande lessen was David de (jonge) held, de vervolgde vluchteling of de strijdende
en de machtige koning. Maar nu lijkt hij ontdaan van elke koninklijke glamour. In plaats van op de
troon is hij nu in het beklaagdenbankje terecht gekomen als voorbereiding op het "ZONDAARSBANKJE".
In welke bochten we ons ook wringen, we vinden werkelijk NIET ÉÉN verzachtend argument
om David's handelen ook maar enigszins te rechtvaardigen. Een langdurige belegering is voor een
koning die van actie houdt een kwelling. En was mede daardoor David maar thuis gebleven. 2 Sam. 11
v.1. De duivel weet nu situaties te ensceneren, die een potentiële voedingsbodem kunnen
vormen voor het vlees. v.2 en Gal. 5 v.17 en 6 v.8. Deze midsummernightsdream, al of niet met
"moonlight" overgoten, bleek de wrange nasmaak van bitter adderengif op te leveren.
WANNEER BEGINT ZONDE ECHT ZONDE TE WORDEN?
Het zien van iets begeerlijks, is (nog) niet het probleem, maar.... de seconden erna zijn
(mede) bepalend. Jac. 1 v.12-14 zegt: "ZALIG IS DE MAN, DIE IN VERZOEKING STANDHOUDT, WANT WANNEER
HIJ DE PROEF HEEFT DOORSTAAN, ZAL HIJ DE KROON DES LEVENS ONTVANGEN DIE HIJ BELOOFD HEEFT AAN WIE
HEM LIEFHEBBEN. LAAT NIEMAND, ALS HIJ VERZOCHT WORDT ZEGGEN: IK WORD VAN GODSWEGE VERZOCHT.... EN
HIJ BRENGT OOK NIEMAND IN VERZOEKING. MAAR ZOVAAK IEMAND VERZOCHT WORDT, KOMT DIT VOORT UIT DE
ZUIGING EN DE VERLOKKING ZIJNER EIGEN BEGEERTE."
HOE WERKEN BEGEERTEN?
De hierboven aangehaalde ZUIGING EN VERLOKKING VAN EIGEN BEGEERTE zien we als volgt
gestalte krijgen bij David: Zie 2 Sam. 11 v.3-4:
a. DAVID LIET NAAR DIE VROUW VRAGEN.
b. DAVID ZOND BODEN OM HAAR TE HALEN.
c. DAVID LAG BIJ HAAR.
Kennelijk handelde Bathséba= DOCHTER VAN DE EED, op basis van 100% vrijwilligheid, wat ook de nodige vragen oproept richting haar man Uria. Zelf doet ze haar naam geen eer aan, God zou dit later wel doen. In 1 Kron. 3 v.5 luidt haar naam BATH-SUA = DOCHTER VAN VOORSPOED. Bathséba was de kleindochter van David's eigen raadsheer ACHITOFEL. 2 Sam. 23 v.34 en 2 Sam. 15 v.12. Dit "muisje" zou nog een lelijk staartje blijken te hebben, zoals we later nog zullen zien. Omdat ze zich nog maar net gereinigd had van haar maandelijkse onreinheid, waardoor zij overeenkomstig Lev. 15 v.19 e.v. cultisch onrein was, was David duidelijk degene die haar zwanger had gemaakt.
DAVID IS IN EEN "WESPENNEST" TERECHTGEKOMEN.
Het lijkt er op (maar het is NIET zo), dat David het "POINT OF NO RETURN" heeft bereikt.
Met de gebleken zwangerschap, moeten er weer nieuwe listen en leugens bedacht worden om de zaak te
camoufleren, en abortus provocatus bestond toen bij mijn weten nog niet. Iedere ZONDE-ROUTE kan in
principe op elk moment door berouw en belijdenis afgebroken worden en dat is beter dan een
zwangerschap te onderbreken. ZONDE-WEGEN zijn echter altijd, min of meer, HELLENDE wegen, dat komt
er op neer dat de eindbestemming van zo'n weg altijd DE HEL is. Spr. 12 v.28b zegt: "...DE WEG DER
ZONDE VOERT TEN DODE." Spr. 21 v.8a zegt: "KRONKELEND IS DE WEG DER BEDRIEGER."
We zien dat David na de (glijdende)helling ook nog kronkels in zijn weg gaat aanbrengen. 2 Sam.
11 v.6-18 leert ons welke "KRONKELS" David in zijn weg aanbrengt, daarmee de zonde, PER KRONKEL,
nog weer zwaarder makend. We noemden reeds misstap a, b en
c. We vervolgen:
d. DAVID ZENDT EEN BOODSCHAP NAAR ZIJN LEGEROVERSTE OM URIA NAAR
HEM TOE TE STUREN. v.6.
e. DAVID VEINST OPRECHTE BELANGSTELLING VOOR HET STRIJDENDE VOLK.
DAT NOEMEN WE HUICHELARIJ. v.7.
f. DAVID GEEFT URIA EEN NACHT VERLOF, UITERAARD IN DE HOOP DAT HIJ
BIJ ZIJN VROUW ZAL SLAPEN. MANIPULEREN HEET DAT. v.8.
g. DAVID LAAT, BIJ URIA'S VERTREK UIT HET PALEIS, HEM EEN
OVERVLOEDIGE MAALTIJD NABRENGEN OM EEN "GUNSTIG" KLIMAAT TE SCHEPPEN BIJ URIA THUIS. URIA HANDELT
ECHTER TEGEN DE VERWACHTING IN. v.8-9. Het is zeer goed denkbaar dat Uria reeds op de hoogte was
van het voorgevallene. David raakt nu in verwarring want Uria voert een goed gedocumenteerde
verklaring aan van zijn (afwijkende) handelwijze. v.10-11.
h. DAVID GEEFT URIA NOG EEN DAG EN NACHT VERLOF MET EEN GEMENE
BEDOELING. v.12.
i. DAVID PROBEERT URIA'S WILSKRACHT TE BREKEN DOOR HEM DRONKEN TE
VOEREN, MAAR URIA BLIJFT STANDVASTIG. v.13.
j. DAVID SCHREEF URIA'S EIGEN DOODVONNIS IN EEN BRIEF DIE HIJ ZELF
NAAR JOAB MOEST BRENGEN. v.14-15. Zelf zal David het, in zijn benarde situatie, wel een slim idee
gevonden hebben, maar God oordeelde dat hij Uria door middel van het zwaard der Ammonieten had
gedood. 2 Sam. 12.v.9.
k. HET BERICHT VAN URIA'S DOOD BRACHT BIJ DAVID EEN GEVOEL VAN
VOLDAANHEID, MAAR DE PRIJS DIE DAVID DAARMEE BINNENHAALT IS "EEN GEEST VAN HUICHELARIJ".
l. NA DE FORMELE ROUWTIJD WORDT "DE BUIT" ALS HET WARE
BINNENGEHAALD. v.26-27.
Het hoofdstuk eindigt met de veelzeggende woorden: "....MAAR DE ZAAK DIE DAVID GEDAAN HAD, WAS
KWAAD IN DE OGEN DES HEREN." v.27.
Indien we de punten a t/m l (= 12 punten), kritisch beschouwen dan bemerken we dat een oprecht
mens, die David is, vervalt van kwaad tot erger. Opnieuw zegt de Spreukendichter in hst. 29 v.25:
"VREES VOOR MENSEN, SPANT EEN STRIK." David was dodelijk bevreesd voor mensen, bang dat ze zijn
zonde(n) zouden ontdekken. Hij raakte steeds meer verstrikt totdat God zelf een profeet naar hem
toestuurde. Het is vrij gemakkelijk na te gaan dat er zeker TIENTALLEN mensen al van deze hele
zaak geweten hebben, vóór de profeet bij David op de stoep stond.
BETUIGING VAN ONSCHULD. Psalm 26: geheel na te lezen.
Wie Psalm 26 geheel leest, waarschijnlijk door David geschreven (ver) voor deze affaire met
Bathséba, beseft dat een kind van God, als hij of zij door de duivel wordt aangevallen, MAAR
TOCH RECHT VOOR GOD STAAT, met opgeheven hoofd mag wandelen en op God kan en mag vertrouwen, onder
het uiten van lofliederen. Tegen mens en vijand mag hij getuigen: "IK WAS MIJN HANDEN IN
ONSCHULD." en "MIJN VOET STAAT OP EEN EFFEN BAAN", dus niet op een hellend, kronkelend pad. Maar,
indien de mens zich begeeft op de weg der zondaars, dán kan een diepe schuldbelijdenis hem
weer verlossen van de macht der zonde.
Het was Gods initiatief om tenslotte na bijna een jaar, Zijn profeet er op af te sturen om de
verharding van David's hart te verbreken. Dát dit gewerkt heeft en hoe dit gewerkt heeft,
heeft David neergelegd in zijn bekende BOETEPSALM: Ps. 51. De Psalm spreekt bijna voor zichzelf,
want David legt zijn hart er in bloot, doet een beroep op Gods genade en barmhartigheid en geeft
blijk van een diep schuldbesef. Daarna heeft David weer "RECHT VAN SPREKEN" richting zondaars.
v.15. Onder bloedschuld kan hij niet leven, alleen wanneer dit is opgeheven keert de blijdschap
terug.
Al de brandoffers hebben geen waarde als daar niet een diep berouwvol hart achter staat. v.16-19.
Zolang we nu niet in een reine verhouding met onze God leven, zijn er bressen in onze geestelijke
ommuring. Vandaar David's bede: "DOE WEL AAN SION... BOUW DE MUREN VAN JERUZALEM" (weer op). v.20.
De kern van deze Psalm is terug te vinden in vers 12: "SCHEP MIJ EEN REIN HART, O GOD EN VERNIEUW
IN MIJN BINNENSTE EEN VASTE GEEST."
ENKELE VRAGEN BIJ LES 40: (2 Sam. 11 vers 1-27).
VRAAG 1: Wat zou de reden kunnen zijn dat de Kroniekschrijvers vele
jaren later de geschiedenis van David met Bathséba hebben weggelaten?
VRAAG 2: Zou je een zonde kunnen bedenken die op geen enkele manier
gevolgen heeft?
VRAAG 3: Geloof je dat de duivel situaties in scène kan zetten die
een soort "VOEDINGSBODEM" voor het vlees kunnen vormen?
VRAAG 4: Maak aan de hand van Jac. 1 v.12-14 duidelijk wanneer zonde
begint echt zonde te worden.
VRAAG 5: Kan een zonderoute in principe op elk moment afgebroken
worden?
VRAAG 6: Geef t.a.v. de punten d t/m g je mening eens over David's
houding.
VRAAG 7: Geef je mening eens over de houding die Uria aannam.
VRAAG 8: Hoe zou David ertoe hebben kunnen komen om van kwaad (i), tot
erger (j) te komen?
VRAAG 9: Probeer eens te verklaren waarom het bijna een jaar moest
duren alvorens God een profeet op David afstuurde.
VRAAG 10: Hoeveel tientallen personen zouden van deze zonde reeds
geweten hebben, vóórdat de profeet David bezocht?
VRAAG 11: Wanneer je de inhoud van Psalm 26 en 51 goed met elkaar
vergelijkt, welke opmerkelijke verschillen kom je dan tegen?
VRAAG 12: Wat heeft je uit Ps. 51 het meest aangesproken?
2 Sam. 12 vers 1-25.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE.
Uiteindelijk zendt God Zijn profeet Nathan op David af. Door een vergelijkbare situatie
voor de ogen te schilderen, gaat David door de knieën. De woorden: "GIJ ZIJT DIE MAN" (v.17
worden gevolgd door de aankondiging van een oordeel, woorden die als mokerslagen op David's hoofd
moeten zijn neergekomen. Pas DAARNA komt de belijdenis en komt David OP de knieën als hij het
uitroept: "IK HEB TEGEN DE HERE GEZONDIGD" v.13. Het aangekondigde oordeel blijkt, alle smeekbeden
ten spijt, toch een aanvang te nemen in het sterven van het kind, maar...... er komt NIEUWE HOOP
IN JEDIDJA. v.25.
EEN SCHOT IN DE ROOS.
Maanden waren reeds verstreken, toen Nathan zich, in opdracht van God bij David aandiende.
Hun kind was toen reeds geboren. v.14. Zonde die bestaat en NIET beleden wordt bewerkt een
VERHARDING door de misleiding der zonde. Er ontstaat een verhard hart. Hebr. 3 v.13 zegt:
"...OPDAT NIEMAND VAN U ZICH VERHARDE DOOR DE MISLEIDING DER ZONDE...." Als het hart, door het
lang laten bestaan van een ernstige zonde, dus als het ware "GEPANTSERD" is, een STENEN HART
geworden, dan weet de profeet toch "binnen" te komen via het zieleleven van David, nl. zijn
gevoel. David is altijd een "GEVOELSMENS" geweest o.a. blijkend uit zijn mooie Psalmen als hij
zichzelf begeleidt met snarenspel. De gelijkenis die Nathan uitsprak lag bovendien op het vlak van
de (vroegere) herder David. Zijn ziel werd als door een BRANDENDE PIJL getroffen en wist David's
gemoed in VUUR en VLAM te zetten.
DE LONT BIJ HET KRUITVAT.
Vers 5 zegt: "TOEN ONTBRANDDE DE TOORN VAN DAVID ZEER TEGEN DIE MAN. David zag het in zijn
fantasie helemaal gebeuren. 2 Sam. 12 v.1-4. Iemand die zo iets gedaan had, verdiende de dood...
v.5.
Het viervoudig vergoeden overeenkomstig de wet is "GOEDKOOP." Zie Exod. 22 v.l. Vergelijk dit maar
eens met Spr. 6 v.32 waar staat dat een overspelige zichzelf te gronde richt. Nu David's gemoed in
vlam was gezet kon hij zich niet voorstellen dat "DIE MAN", (die hijzelf bleek te zijn),
géén medelijden had. v.5.
Alle menselijke functies beginnen t.g.v. de zonde, af te sterven, hoe langer hoe meer en langzaam
maar zeker.
Even later zou David beseffen dat hij al hard op weg was om zichzelf te gronde te richten. v.13.
Ook Rom. 7 v.7-10 stelt: "...TOEN ECHTER HET GEBOD KWAM, BEGON DE ZONDE TE LEVEN, MAAR IK BEGON TE
STERVEN." v.9.
David was KRIJGSGEVANGENE geworden van de wet der zonde, die in zijn leden was. Rom. 7 v.23.
DAVID, WIL JE DIT EVEN NIET VERGETEN?
Toen heeft David noodgedwongen aangehoord wat de profeet, namens God nog meer te zeggen
had nl. over de vele rijke zegeningen waarmede God hem gezegend heeft, t.w:
De zegeningen die David reeds eerder gekregen heeft:
Nochtans had David het volgende gedaan:
Dan wordt de strafmaat medegedeeld:
IK ELLENDIG MENS....
Op dat moment heeft David zich gevoeld, zoals Paulus beschreef in Rom. 7 v.24: "IK
ELLENDIG MENS, WIE ZAL MIJ VERLOSSEN UIT HET LICHAAM DEZES DOODS?"
Tenslotte lezen we over David's berouw, zijn bidden, smeken en wenen, zijn vasten etc. om zo
mogelijk het kind nog te redden. v.15-19.
NA HET STERVEN VAN HET KIND, DEED DAVID DE VOLGENDE 7 DINGEN:
Later wordt Bathséba, BATHSUA genoemd in 1 Kron. 3 v.5 en dat betekent: DOCHTER VAN VOORSPOED. God heeft Zijn eed gehouden die Hij reeds zwoer aan Abraham. Luc. 1 v.70-75. Zouden we in deze eindtijd de gemeente van Jezus Christus niet kunnen betitelen met de naam: DOCHTER VAN DE EED - DOCHTER VAN VOORSPOED. (Zegen, overeenkomstig Jozua 1 v.1-9 "...OPDAT GIJ VOORSPOEDIG ZIJT." v.7b).
Door de hele bijbel loopt Gods RODE LIJN DER BELOFTE. De grote lijn staat hieronder in 8
teksten. Hieruit moge duidelijk worden dat de gemeente van Jezus Christus genoemd mag worden met
de titel:
DOCHTER VAN DE EED
ENKELE VRAGEN BIJ LES 41: (2 Sam. 12 v.1-25).
VRAAG 1: Hoe werkt de geestelijke wet: VAN ZONDIGEN TOT (evt.
totale) VERHARDING?
VRAAG 2: Hoe vind je de beste = de kortste weg naar iemands hart?
VRAAG 3: Hoe is het te verklaren dat David in "DIE MAN" (die de dood
verdiende, Lev. 20 v.10) helemaal zichzelf niet herkende?
VRAAG 4: Wat kan de oorzaak zijn van het ernstige verschijnsel: HET
VOLKOMEN AFWEZIG ZIJN VAN MEDELIJDEN MET DE ANDER?
VRAAG 5: Kun je nog één of meer normale menselijke functies
noemen die t.g.v. de zonde(n) min of meer kunnen gaan afsterven?
VRAAG 6: Hoe kan iemand "KRIJGSGEVANGENE" worden? Rom. 7 v.23.
VRAAG 7: Is er ook enige overeenkomst te bespeuren tussen resp. de door
David ontvangen zegeningen en de strafmaat die Nathan hem aankondigt?
VRAAG 8: Wat is heden het antwoord op de noodkreet van deze wereld: "IK
ELLENDIG MENS"?
VRAAG 9: Geef enkele voorbeelden uit de bijbel waarbij God ondanks
bidden, vasten etc. NIET meer terugkomt op Zijn genomen beslissing.
VRAAG 10: Geef je eigen mening eens over de eerste 3 dingen die David
deed ná het sterven van zijn kind.
VRAAG 11: Wat probeert God via David aan ons duidelijk te maken als Hij
laat weten via een "GELUKSTELEGRAM" dat de (nieuwe) zoon door Hem JEDIDJA genoemd wordt?
VRAAG 12: Probeer eens te omschrijven wat God (o.a.) door deze 8
teksten zowel vroeger aan de Joden, maar óók NU aan het Israël Gods te zeggen
heeft.
KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. (Rom. 5 v. 1-11).
Het grote probleem dat in het hele oude testament een centrale rol speelt, is soms duidelijk,
soms bedekt, maar ALTIJD aanwezig, nl.: HOE ONTVANG OF VERKRIJG IK EEN VOLKOMEN VERZOENING MET
GOD. Tot het moment dat er door Jezus Christus werd uitgeroepen: "HET IS VOLBRACHT" (Joh. 19 v.
30), was er een voortdurend SPANNINGSVELD die tot uiting kwam in de woorden: "HOE BEKLEMT HET MIJ
TOTDAT HET VOLBRACHT IS." (Luc. 12 v. 50; Matth. 20 v. 22). Alle daartoe en daarvoor gebrachte
BRANDOFFERS etc. waren ten diepste slechts bedoeld om in het denken van Gods volk dit
SPANNINGSVELD te laten bestaan, tot het moment dat zij in het geloof de ware vrijheid zouden
ontvangen, en alle lijden van deze tegenwoordige tijd ten spijt, in de stellige GELOOFSVERWACHTING
zouden kunnen leven dat de heerlijkheid die nog over ons geopenbaard zal worden (de vrijheid van
de heerlijkheid der kinderen Gods) met volharding zouden blijven verwachten.Want onze bestemming
is de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, Jezus Christus. (Rom. 8 v. 18-30). De hele
geschiedenis rond de volkstelling, de straf en de oplossing van het gericht, dienen te worden
geplaatst in het kader van het hierboven geschetste SPANNINGSVELD.
DE TOORN DES HEREN ONTBRANDDE WEER TEGEN ISRAËL. (2 Sam. 24 v. l).
Er zijn verschillende partijen in dit RECHTSGEDING betrokken.
a. God, de rechtvaardige RECHTER, wiens toorn kennelijk werd
opgewekt door zonden van het volk Israël. Meer details ontbreken.
b. Een HOOFDSCHULDIGE, nl. het volk Israël.
c. Een MEDESCHULDIGE, nl. David.
d. Een AANKLAGER, de satan.
e. Iemand die het uitgesproken vonnis voltrekt: DE ENGEL.
DE ROL VAN DE AANKLAGER.
In dit en vele andere rechtsgedingen, speelt satan een zeer grote rol. Het Hebreeuwse
woord SATAN, betekent TEGENSTANDER. Hij vervult altijd de rol van AANKLAGER. (Zach. 3 v. l; Openb.
12 v. 10). Om iets te hebben om aan te klagen zal hij trachten om het principe VERDEEL EN HEERS
toe te passen. Zie bv. Joh.7 v. 43; 9 v. 16;10 v.19; Hand.14 v. 4. Satan zette David tegen het
volk op door hem te verleiden tot een volkstelling. (1 Kron. 21 v. l). De altijd zondige
bedoelingen van satan zijn, om zowel volk als koning onderuit te halen. De tekst uit 2 Sam. 24 v.
1: "DE HERE ZETTE DAVID TEGEN ISRAEL OP", kan dan ook niet anders geïnterpreteerd worden dan
dat de aanklager (de satan) enige SPEELRUIMTE kreeg toegemeten van God, de RECHTER, om
uiteindelijk Zijn heerlijke, volkomen verlossingsplan, zowel voor het volk Israël alsmede
voor de gehele aarde, aan het licht te brengen.We weten dat God NOOIT verzoekt. (Jac. 1 v. 13). De
sluimerende, latent aanwezige hoogmoed van David is de INVALSPOORT voor satan.
Zie Jac. 1 v. 14 en 2 Sam. 24 v. 2. De telling dient militaire doelen, nl. te weten: "HOE STERK
BEN IK EN HOE MACHTIG." (Jer. 17 v. 5). Het ware beter voor David (en ons) altijd te blijven in
zijn (of onze) belijdenis, zoals bv. Ps. 18 v. 30-36 en Ps. 27 v. 3.
TELLEN, ONDER GODS CONDITIES.
God zelf zal opdracht moeten geven om een evt. volkstelling te houden onder het volk.
(Num. 1 v. 1-3). Volgens Ex. 30 v. 11-16 was een telling niet vrijblijvend. Iedere man van 20 jaar
en ouder ging als het ware onder Gods HERDERSSTAF door bij de telling zoals schapen bij de ingang
der schaapskooi. Zie daartoe Matth. 18 v. 12-14. Voor IEDER LEVEN (elk schaap) dat geteld werd,
moest een ZOENGELD BETAALD WOORDEN. Werd het nagelaten om per hoofd een halve zilveren sikkel te
betalen, als heffing voor de Here (de arme en de rijke moesten evenveel betalen), als VERZOENING
voor hun leven, dán werd deze door DE PLAAG getroffen. Zie Marc. 10 v. 15; Luc. 11 v. 52;
Joh. 3 v. 5.
GELD DER VERZOENING.
Dit geld der verzoening was bestemd voor de dienst in de tent der samenkomst.
(Tempelgeld).
"HET ZAL VOOR DE ISRAELIETEN TOT EEN GEDACHTENIS ZIJN VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN, TER
VERZOENING VOOR HUN LEVEN." (Ex. 30 v. 16b. en 1 Joh. 2 v. 1-2). Rom. 5 v. 11 zegt: "MAAR WIJ
ROEMEN ZELFS IN GOD DOOR ONZE HERE JEZUS CHRISTUS DOOR WIEN WIJ NU DE VERZOENING ONTVANGEN
HEBBEN." Zie óók 2 Cor. 5 v. 18-19. Dit ZOENGELD WAS ALS HET WARE EEN herinnering zowel
voor God als voor de persoon zelf, aan het LAM GODS (Agnus Dei) dat de zonde der wereld wegneemt.
(Joh. 1 v.29). Paulus zegt het zó: "HEM (Jezus Christus) HEEFT GOD VOORGESTELD ALS ZOENMIDDEL
DOOR HET GELOOF IN ZIJN BLOED, OM ZIJN RECHTVAARDIGHEID TE TONEN, DAAR HIJ DE ZONDEN, DIE TEVOREN
ONDER DE VERDRAAGZAAMHEID GODS GEPLEEGD WAREN, HAD LATEN GEWORDEN." (Rom. 3 v.25 zie v.
21-30).
David had, misleid als hij was door de tegenstander (satan), deze instelling van God genegeerd of
verzaakt. (Ex. 30 v.11-16). Bij telling gold dezelfde norm als bij de viering van het Pascha, nl.
Ex. 12 v.13: "EN HET BLOED (van het geslachte lam) ZAL U DIENEN ALS EEN TEKEN AAN DE HUIZEN,
WANNEER IK HET BLOED ZIE, DAN GA IK U VOORBIJ. ALDUS ZAL ER GEEN VERDERVENDE PLAAG ONDER U ZIJN,
WANNEER IK HET LAND EGYPTE SLA." Bij de zilveren sikkel, is ZILVER het beeld van VERZOENING, maar
niet meer dan een beeld. Zie Ps. 66 v.10; Ps. 12 v.6-8; Num. 10 v. 8-10.
AAN DE VERZOENING KUN JE NIET VOORBIJGAAN.
Net zo min als men heden, zonder ernstige gevolgen, voorbij kan gaan aan het kostbaar
bloed van Jezus Christus, als VLEKKELOOS LAM, die ons vrijgekocht heeft van onze ijdele wandel (1
Petr. 1 v.18-19) zo min kon men in de oude bedeling, zonder ernstige gevolgen eigenhandig een
telling op touw zetten, bovendien zonder VOOR IEDER der getelden het GELD DER VERZOENING VAN HUN
LEVEN, af te dragen aan God. Een zelfde soort "MISSLAG" zagen we David maken, toen hij verzuimde
om de priesters de ark Jeruzalem te laten binnendragen, maar dit met een boerenwagen meende te
kunnen doen. Tot in de tijd van Jezus was men gewoon om jaarlijks tegen Pasen het zg. HOOFDGELD te
innen op grond van Exod. 30 v.11. Jezus leerde ons, via Petrus, dat Gods kinderen, als zonen van
de KONING, nu vrij zijn van dit HOOFDGELD (geld der verzoening), het beeld is immers werkelijkheid
geworden, want wij zijn nu GEKOCHT en BETAALD.
(Matth. 17 v.24-27 en 1 Cor. 6 v.19-20). Het schaduwbeeld is opgegaan in Jezus Christus, want de
werkelijkheid is Christus. (Col. 2 v.16-17).
JOAB'S ROL IN DE TELLING.
Soms was de rol die Joab speelde in het leven van David er één die respect
afdwong. Soms was er rivaliteit tussen hen beiden. Bij deze telling nam Joab nu een beter
standpunt in dan David. Zie bv. Joab's uitspraak in 2 Sam. 24 v.3. Het eindresultaat van de
telling was een getal aan soldaten (krijgslieden die het zwaard konden voeren) waar iedere koning
of legeroverste trots op zou zijn. (2 Sam. 24 v.9). Israël moest juist leren wat Ps. 44 zei:
"WANT NIET MET HUN ZWAARD HEBBEN ZIJ HET LAND (Kanaän) VERWORVEN, NIET HUN ARM HEEFT HEN
GERED, MAAR UW RECHTERHAND EN UW ARM EN HET LICHT VAN UW AANSCHIJN". (v.4).
DAVID'S GEWETEN BEGON WEER TE SPREKEN.
In 2 Sam. 24 v.10 staat: "MAAR DAVID HAD WROEGING NADAT HIJ HET VOLK GETELD HAD EN ZEIDE
TOT DE HERE: IK HEB ZWAAR GEZONDIGD..." Letterlijk staat er: "ZIJN HART SLOEG HEM..." zie
óók 1 Sam. 24 v.6. Dus David's geweten begon te spreken. David vroeg God om vergeving.
(v.10). De duivel weet de naar hem luisterende mens, dikwijls net zo lang binnen de duisternis van
de hypnotiserende tovercirkel der zonde te houden, totdat zijn vooropgestelde doel bereikt is.
Toen de telling (zonder "betaling") gereed was, was het doel van satan bereikt, nl. David had
zwaar gezondigd en het volk onder de ban gebracht. Zeker rustte er een zekere vorm van BLOEDSCHULD
op hem. Als iemand al verzuimde een beschermende borstwering aan het dak van zijn (nieuwe) huis te
maken en ten gevolge daarvan iemand van het dak, dood viel bracht dit al bloedschuld over hem.
(Deut. 22 v.8). Hoeveel te meer geldt dit als David de BESCHUTTING VAN HUN LEVEN, dus van HET HUIS
ISRAELS wegneemt, door, tegen beter weten in, na te laten om geld der verzoening, ter verzoening
van hun leven, te innen van elke getelde Israëliet en dit voor de tempeldienst af te
dragen.
... MAAR LAAT MIJ NIET VALLEN IN DE HAND DER MENSEN, WANT ZIJN BARMHARTIGHEID
IS ZEER GROOT....
Als de profeet Gad aan David, namens God, drie vragen, drie dingen voorlegt als strafmaat,
dan kiest David onder het uitspreken van de verzuchting: "HET IS MIJ ZEER BANG TE MOEDE, LAAT ONS
TOCH VALLEN IN DE HAND DES HEREN, WANT ZIJN BARMHARTIGHEID IS GROOT." Hij kiest dus één
van de drie. Volk en koning werden bestraft. Een paar dagen werd de beschutting weggenomen. De
bijbel kent andere voorbeelden, zowel positief als negatief, bv. Jes. 4 v.2-6; Jes. 5 v.1-7; Jes.
37 v. 8-35 (spec. v.35). Tussen Dan en Berséba, de uiterste grenzen van Israël waar het
volk, ZONDER BESCHUTTING geteld was, daar vielen ook 70 maal 1000 man. (2 Sam. 24 v.2 en 15).
BIJ JERUZALEM IS HET KEERPUNT.
Op Gods bevel moest in het zicht van Jeruzalem het zwaard van het oordeel rusten. Opnieuw
speelt de "DORSVLOER" een cruciale rol in het geheel. Zie les 30 blz. 20-21 en bijlage op blz.
22a. God opende David's ogen voor de "onzienlijke" wereld, want hij zag de engel. (v.17). David
had reeds vergeving gevraagd voor zichzelf, maar nu gaat hij een stap verder en wordt hij meer een
type van Jezus Christus, als degene die als LAM VAN GOD voor ons is geslacht, dus gestorven. Zie
Rom. 5 v.6-9 + 15-17 en Joh. 11 v.50-52. "MAAR DE GENADEGAVE LEIDDE VAN VELE OVERTREDINGEN TOT
RECHTVAARDIGING." David spreekt profetisch en zegt in grote lijnen ongeveer wat Mozes zei in Ex.
32 v.30-34: "MAAR NU, VERGEEF TOCH HUN ZONDEN, EN ZO NIET, DELG MIJ DAN UIT HET BOEK DAT GIJ
GESCHREVEN HEBT." David bad, toen hij de engel bij de dorsvloer zag: "ZIE IK HEB GEZONDIGD... MAAR
DEZE SCHAPEN, WAT HEBBEN ZIJ GEDAAN. LAAT TOCH UW HAND ZIJN TEGEN MIJ (en mijn familie)". (2 Sam.
24 v.16-17). Jesaja 53 verwoordt het als volgt: (v.5-12). "Maar om ONZE overtredingen werd HIJ
doorboord, om ONZE ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ONS de vrede aanbrengt, was op HEM,
de Here heeft ONS aller ongerechtigheid op HEM doen neerkomen om de overtreding van MIJN VOLK is
de PLAAG OP HEM geweest, maar het behaagde de Here, HEM te verbrijzelen en wanneer Hij zichzelf
ten SCHULDOFFER gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien....en het voornemen des Heren zal
door Zijn hand voortgang hebben, en HUN ongerechtigheden zal HIJ dragen." Hij heeft ZIJN leven
(als een plengoffer) uitgegoten in de dood. Wat er diezelfde dag nog gebeurde, in opdracht van
God, wordt beschreven in les 43. Het komt neer op de inhoud van dit lied:
DE LOFZANG VAN ZACHARIAS. (Luc. 1 v. 68-79).
LOF ZIJ DE GOD VAN ISRAËL, DE HEER DIE AAN ZIJN ERFVOLK DACHT, EN DOOR ZIJN
LIEFDERIJK BESTEL, VERLOSSING HEEFT TEWEEG GEBRACHT; EEN HOORN DES HEILS HEEFT OPGERECHT; 'T GEEN
DAVIDS HUIS WAS TOEGEZEGD, DAT WIL HIJ ONS NU SCHENKEN; GELIJK GODS TROUW, VAN 's AARDRIJKS
OCHTENDSTOND, DOOR DER PROFETEN WIJZEN MOND, ZICH HIERTOE AAN DE VADEREN VERBOND. (berijmd)
Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar Zijn volk en heeft het
verlossing gebracht, en heeft ons een hoorn des heils opgericht, in het huis van David, zijn
knecht, gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten van ouds her. Om ons te
redden van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te betonen aan
onze vaderen.
ENKELE VRAGEN BIJ LES 42: (2 Sam. 24 v.1-17; 1 Kron. 21 v.1-16).
VRAAG 1: In welk "SPANNINGSVELD" leefde Israël in de oude
bedeling, dus toen het DE WET moest houden?
VRAAG 2: Wat betekent het woord SATAN en welke rol vervult deze t.a.v. Gods
kinderen?
VRAAG 3: Hoe weten we dat God nooit verzoekt?Geef eens een omschrijving
van het begrip: VERZOEKEN.
VRAAG 4: Op welke wijze kan er voor de satan (dus niet DOOR de satan)
bij de mens een invalspoort ontstaan?
VRAAG 5: Waarom was tellen van het leger in Israël, géén
vrijblijvende aangelegenheid?
VRAAG 6: Waartoe diende het zg. ZOENGELD en waarom behoeven we dat nu
niet meer te betalen? Later werd het HOOFDGELD genoemd.
VRAAG 7: Waarom speelt BLOED, bij verzoening, zo'n alles overheersende
rol?
VRAAG 8: Welk gevaar dreigt er, indien je als koning (bv. David) over
een groot leger beschikt?
VRAAG 9: Op welk moment had de satan zijn vooropgestelde doel bij David
bereikt?
VRAAG 10: Zou je deze illegale vorm van volkstelling ook een vorm van
BLOEDSCHULD willen of durven noemen?
VRAAG 11: Vind je het gebed van David (2 Sam. 24 v.16-17) gelijken op
datgene wat de ZOON VAN DAVID, Jezus Christus, daadwerkelijk heeft gedaan?
VRAAG 12: Geef de prachtige inhoud van Luc. 1 v.68-79 eens weer in
één zin.
KORTE BESCHRIJVING. 2 Sam. 24 v.18-25; 1 Kron. 21 v.16-30.
Aan de hand van de beschrijving, vermeld in 1 Kron. waar deze gebeurtenis wat uitvoeriger wordt
beschreven, zien we dat God d.m.v. de profeet Gad de definitieve oplossing van het
WERELD-ZONDEPROBLEEM aangeeft. Het hele gebeuren komt hier op neer dat de "DORSVLOER VAN DE
WERELD" in of bij Jeruzalem zou komen. Hebr. 13 v. 12-13 leert ons: "DAAROM HEEFT OOK JEZUS,
TENEINDE ZIJN VOLK DOOR ZIJN EIGEN BLOED TE HEILIGEN, BUITEN DE POORT GELEDEN. LATEN WIJ DERHALVE
TOT HEM UITGAAN, BUITEN DE LEGERPLAATS EN ZIJN SMAAD DRAGEN." God zelf gaf de plaats aan waar de
tempel gebouwd zou worden en onlosmakelijk daaraan verbonden, het BRANDOFFERALTAAR. Onze zonde(n),
dus onze DOOD, werd "overgedragen" op het offerdier. Zie Lev. 1 v.1-17: "DAN ZAL HIJ (die
gezondigd heeft) ZIJN HAND OP DE KOP VAN HET BRANDOFFER LEGGEN, ZO ZAL HET, HEM TEN GOEDE,
WELGEVALLIG ZIJN OM OVER HEM VERZOENING TE DOEN. v.4.
Het brandoffer dat geheel in rook en vlammen opgaat, en daarom ook wel HET TOTALE OFFER genoemd
wordt, beeldt uit dat God de Vader onze doodstraf, die we t.g.v. de zonde 100% verdiend hebben, op
het LAM, JEZUS CHRISTUS geladen heeft. Ps. 51 v.21; 1 Sam. 7 v.9. Jes. 53 v.5 stelt: "DE STRAF DIE
ONS DE VREDE AANBRENGT, WAS OP HEM. Joh. 1 v.29: "ZIE HET LAM GODS, DAT DE ZONDE DER WERELD
WEGNEEMT." Zie ook Openb. 5 v.12-13.
DAVID EN ORNAN ZAGEN DE ENGEL. 1 Kron. 21 v.16-30.
Ik geloof niet dat de 70.000 mannen die door "DE PLAAG" getroffen zijn, de engel (nog) hebben
gezien. Maar David en Ornan, de Jood en de heiden, zagen niet alleen de engel, maar hun beider
houding was er één van berouw, nederigheid en offervaardigheid, maar ook van vrees.
David en zijn oudsten wierpen zich op hun aangezicht. De vier zonen van Ornan verborgen zich.
David had Jeruzalem, vanwege de engel met het getrokken zwaard, niet durven verlaten om op de
hoogte te Gibeon te offeren. v.30.
Pas toen er op de door God aangewezen plaats brandoffers en vredeoffers waren gebracht, antwoordde
God vanuit de hemel, de onzienlijke wereld, met vuur dat het brandoffer verteerde. Zie 1 Kon. 18
v.24; Ps. 20 v.2-4; Ps. 22 v.2-3 en 21-22; Ps. 86 v.1-13. "TOEN (pas) GAF DE HERE DE ENGEL BEVEL
ZIJN ZWAARD IN DE SCHEDE TE STEKEN." v.27.
HET ANTWOORD OP DE ZONDE.
Het antwoord op de allergrootste wereldramp, nl. de ZONDE, is het "BRANDOFFERALTAAR". Maar
al deze offers waren slechts een zwakke afschaduwing van de werkelijkheid en dat is Jezus
Christus. David begreep dit reeds toen hij als een profeet zei: "BRANDOFFERS EN ZONDOFFERS HEBT
GIJ NIET GEVRAAGD." Ps. 40 v.7-9. En ook in zijn boetepsalm, Ps. 51, geeft David aan waar het
werkelijk om gaat nl: "DE OFFERANDEN GODS ZIJN EEN VERBROKEN GEEST..." v.16-21. Het bloed van het
dier dat als brandoffer werd geofferd, werd door een priester in een bekken gedaan en rondom over
het altaar gesprengd. De verzoening zoekende had allereerst door handoplegging zijn zonden als het
ware overgedragen op dit offerdier en het daarna zelf geslacht. In dit alles, speciaal in de
handeling met het bloed, ligt de gedachte van verzoening, nl. de zonde van de offeraar wordt door
het bloed van het offerdier bedekt of uitgewist. Alleen op basis van (totale) verzoening is er
weer gemeenschap mogelijk tussen de heilige God en de zondige mens. Hebr. 9 v.19-28.
DRIE VADERS EN DRIE ZONEN.
We hebben in les 41 reeds gezien dat David tot de zeer pijnlijke ontdekking is gekomen dat
hij zijn NAAMLOZE zoon niet in leven kon houden, ondanks zijn bidden, smeken, vasten en wenen. Zie
Jes. 4 v.1 en 43 v.1; Nahum 1 v.14; Ps. 102 v.13. Deze zoon, onder de wet geboren na overspel, kan
slechts gered worden van de dood dankzij "JEDIDJA", de ware VREDEVORST = Jezus Christus.
Er was nog een tweede vader die meende zijn zoon te moeten offeren, maar God maakte hem duidelijk
dat hij met het offeren van zijn enige zoon, noch God kon behagen, noch iets bewerken en zeker
geen zonde vergeving. Abraham moest leren wat de betekenis was van zijn eigen profetische woorden:
"GOD ZAL ZICHZELF VOORZIEN VAN EEN LAM TEN BRANDOFFER MIJN ZOON." Gen. 22 v.8. En tenslotte was
daar de derde VADER. Het offer van Zijn enige Zoon op het brandofferaltaar van deze wereld,
GOLGOTHA, zou de oplossing van het zondeprobleem brengen en dus... van de eeuwige dood.
Als een aparte bijlage zal aan dit tweede deel van deze bijbelstudie een bijbelstudie worden toegevoegd, getiteld: "HET IS VOLBRACHT." In deze bijbelstudie wordt wat dieper en uitgebreider ingegaan op het begrip: BRANDOFFERALTAAR. Het accent in deze toegevoegde bijbelstudie ligt op JEZUS CHRISTUS, alsmede ABRAHAM en DAVID. Ik hoop dat deze (extra) bijbelstudie zal aanvullen, datgene wat speciaal in les 41, 42 en 43 nog niet helemaal duidelijk is geworden.
A. WAT GEBEURT ER OP DE DORSVLOER?
Er bestaat (bestond) een spraakverwarring over de tekst in Matth. 3 v.10-12, een profetie
van Johannes de Doper. "JEZUS... DIE ZAL U DOPEN MET DE HEILIGE GEEST EN MET VUUR. DE WAN IS IN
ZIJN HAND EN HIJ ZAL ZIJN DORSVLOER GEHEEL ZUIVEREN EN ZIJN GRAAN IN DE SCHUUR BIJEENBRENGEN MAAR
HET KAF ZAL HIJ VERBRANDEN MET ONUITBLUSBAAR VUUR."
De gevestigde verklaring was en is dat het graan, de voor eeuwig geredde mensen zijn die in de
schuur = de gemeente = het lichaam van Jezus Christus bijeenvergaderd worden, maar het kaf (wat
het dan ook maar moge uitbeelden), zal met ONUITBLUSBAAR VUUR worden verbrand. Het graan zijn dus
de burgers van het Koninkrijk Gods.
B. ONUITBLUSBAAR VUUR, EEN EEUWIGE ZAAK.
In de bijbel wordt t.a.v. kaf, dorsen, dorsslede, dorsvloer etc. in alle gevallen gedoeld
op een ONomkeerbare handeling, dus een radicale handeling met een blijvend heerlijk, of ernstig
gevolg. Zie bv. Richt. 8 v.7 en v.16-17; 2 Kon. 13 v.7; Amos 1 v.3. Jesaja 21 v.10 beschrijft hoe
Israël door Babel is GEDORST, maar de rollen zullen worden omgedraaid. Zie Openb. 14 v.8.
Jes. 41 v.13-15 beschrijft dan hoe de overwinning in haar werk zal gaan: "ZIE, IK STEL U TOT EEN
SCHERPE, NIEUWE DORSSLEDE MET DUBBELE SNEDEN; GIJ ZULT BERGEN DORSEN en verbrijzelen en heuvelen
zult gij tot kaf maken. Gij zult ze wannen en de wind zal ze opnemen en de storm zal ze
verstrooien, maar gij zult juichen in de Here…" Bij vrijwel alle teksten over dit onderwerp
(dorsen etc) is dit de "TOONZETTING", dus de strekking.
C. WIE ZAL WIE DORSEN?
Micha 4 v.12-14 spreekt dezelfde taal als Jes. 41, t.w: De Heer zal de dochter Sions maken
tot degene die de vijandelijke volken die tegen Jeruzalem zullen optrekken, zullen DORSEN met
hoeven van koper, die doen denken aan de runderen die men over het op de dorsvloer uitgespreide
graan lieten lopen om het te dorsen. Habakuk 3 v.1-19 is het gebed van de profeet. Deze schildert
in dichterlijke taal de strijd tussen licht en duister. Enerzijds de redding van Gods volk (v.13)
anderzijds zegt Habakuk: "IN GRAMSCHAP DOORSCHRIJDT GIJ DE AARDE, IN TOORN DORST GIJ de volkeren."
(v.12). Toch zullen we straks concluderen dat in principe de dorsvloer voor de gelovigen is, de
rechterstoel voor de ongelovigen.
D. OP WEG NAAR DE DORSVLOER.
1 Cor. 9 v.1-14 leert de gemeente van alle tijden dat hun arbeid bestaat uit resp.
a. GEESTELIJK STRIJDEN ALS SOLDAAT IN HET LEGER VAN JEZUS
CHRISTUS.
b. HET PLANTEN VAN EEN WIJNGAARD. v.7
c. HET PLOEGEN VAN DE AKKER. v.10
d. HET INZAAIEN VAN DE AKKER. v.11
e. HET WEIDEN VAN DE KUDDE. v.7
Dit alles bij elkaar zal uiteindelijk resulteren in het DORSEN. v.9-10. Als Paulus na verloop van de groeitijd, de geestelijke oogst mag binnenhalen, mag hij op Gods voorschrift (v.14) het stoffelijke oogsten. v.11. In dit geval wijst het dienstdoen in het leger van Jezus Christus op de GEESTELIJKE STRIJD waarmee dit gehele DORSPROCES gepaard gaat. Denk maar aan Efeze 6 v.10-20.
E. GOD HEEFT DE PLAATS VAN DE DORSVLOER AANGEWEZEN.
In 2 Sam. 24 v.18-25 lezen we dat God zelf de dorsvloer van Arauna (de Jebusiet, dus de
heiden) heeft aangewezen als de plaats waar de verzoening met God de Vader door de reiniging van
de zonde der gehele wereld zou gaan plaatsvinden. Jood (David) en heiden (Arauna) vinden, als
beeld van de hele mensheid, aldaar vrede met God.
David als type van de Zoon van David (Jezus Christus) wilde met zilvergeld = beeld van (de)
verzoening, beslist deze dorsvloer en toebehoren kopen. Op de dorsvloer, waarop het
brandofferaltaar werd opgericht, werd het GERICHT, het oordeel weggenomen. "TOEN LIET DE HERE ZICH
VERBIDDEN, TEN GUNSTE VAN HET LAND, EN DE PLAAG WERD VAN ISRAËL WEGGENOMEN." zie v.24-25; Ex.
12 v.13; Jes. 53 v.8; Zef. 3 v.14-15; Jer. 25 v.30-33.
F. DE DORSVLOER DER GEHELE AARDE.
Op de grote DORSVLOER der wereld, Gethsemané = olijvenpers en in aansluiting daarop
Golgotha, daar werd de EINDoverwinning behaald door Jezus Christus. En dit alles was reeds
duizenden keren zeer zichtbaar op het tempelplein gedemonstreerd d.m.v. de vele gebrachte offers.
Maar het gevolg was dat er op de dorsvloer eerst een "romance" plaatsvond, resulterend in een
huwelijk, want op de dorsvloer vond BOAZ = IN HEM IS KRACHT, en een type van Jezus Christus, zijn
heidense vrouw RUTH = GEZELLIN. En zij vond aldaar haar (ver)LOSSER, haar GO'EL, tezamen met haar
schoonmoeder, NAOMI = LIEFLIJK, de Jodin. De bitterheid van het oordeel, de dood (MARA) was nu
voor altijd voorbij. Lees ook eens Luc. 12 v.49-50 en Marc. 9 v.49-50. Het onkruid wordt verbrand
tot GERECHTIGHEID. Het kaf wordt verbrand tot HEILIGING. De volgende verzen bevestigen deze
gedachte, t.w: Ef. 4 v.24; 1 Cor. 1 v.30-31; 1 Petr. 1 v.15-16 e.v.
G. ZONDER LOUTERING GEEN HEILIGING.
In les 30 lazen we reeds dat bij de DORSVLOER van Nachon (of Kidon), UZZA (= KRACHT)
dodelijk werd getroffen. Derhalve was (ook) daar de dorsvloer een plaats van het LOUTERENDE VUUR.
1 Kon. 22 vermeldt de geschiedenis waarbij de koning van Israël en de koning van Juda tezamen
willen optrekken tegen Aram. Daar zaten (v.10) de twee koningen, ieder op zijn troon, gekleed in
statiegewaad op de DORSVLOER. De profeet Micha = WIE IS ALS (GOD), kondigt het DORSPROCES aan.
v.17 en 34 en 35.
Koning Achab werd als KAF weggeblazen en door het OORDEELSVUUR verbrand vanwege zijn hardnekkige
zondige leven. Van de koning van Juda, Josafat = DE HEER IS RECHTER (zie Joël 3 v.1-3) werd
getuigd: "HIJ DEED WAT RECHT WAS IN DE OGEN DES HEREN." Hij werd door het louteringsvuur nog meer
geheiligd.
H. WILLEN DE WIJZE MAAGDEN NU OPSTAAN?
In grote tegenstelling tot bv. Hosea 9 v.1-4, kondigt Joël 2 v.23-27 de grote
doorbraak aan. De leraar ter gerechtigheid = DE HEILIGE GEEST zal, dankzij de geestelijke
DORSVLOER, alles wat niet (meer) tot eer van God is door DE WIND DES GEESTES de "woestijn" in
blazen. Wat resteert, zal een zeer overvloedige oogst zijn van Geestesvruchten. Zie les 30.
Joël 2 v.12-13 zegt: "LAAT DE VOLKEN OPSTAAN EN OPRUKKEN NAAR HET DAL VAN JOSAFAT, WANT DAAR
ZAL IK ZITTEN (op de dorsvloer) OM ALLE VOLKEN VAN RONDOM TE RICHTEN. SLAAT DE SIKKEL ER IN, WANT
DE OOGST IS RIJP. KOMT, TREEDT, WANT DE PERSKUIP IS VOL, DE WIJNBAKKEN STROMEN OVER."
De ware "JOSAFAT" = DE HEER IS RECHTER, zal eenmaal plaatsnemen op de GROTE DORSVLOER DER GANZE
AARDE (v.14) om de volkeren te DORSEN. Openb. 14 v.14-20. Let op v.18a: "die uit het altaar kwam!"
Namens Jezus Christus hanteert hij de macht over "HET VUUR". Zie Luc. 10 v.19. In v.15 is de oogst
aan GOUDGEEL graan rijp om in de schuur te worden verzameld. Maar ook de grote PERSBAK van de
gramschap Gods was gereed om de oogst der aarde op te vangen en uit te persen. Het is de gemeente
van de antichrist, die vol zit met ONGERECHTIGHEID, het zijn de zonen des verderfs.
OOGST HET KOREN, verbrandt het kaf: "OPDAT WIJ DEEL VERKRIJGEN AAN ZIJN HEILIGHEID. WANT ALLE TUCHT (doop in vuur) SCHIJNT OP HET OGENBLIK ZELF GEEN VREUGDE, MAAR SMART TE BRENGEN, DOCH LATER BRENGT ZIJ HUN, DIE ER DOOR GEOEFEND ZIJN, EEN VREEDZAME VRUCHT, DIE BESTAAT IN GERECHTIGHEID...." en: "JAAGT NAAR DE HEILIGING." Hebr. 12 v.10b-11 en 14a. Jes. 40 v.1-11 (speciaal v.3-4); Mal. 3 v.1-3; Matth. 3 v.9-12; Marc. 4 v.26-29.
Toen de bekende Pinksterprediker David du Plessis in 1947 bij de opening van de eerste
Wereld-Pinksterconferentie te Zürich, zijn geruchtmakende uitspraken deed, deed hij in de
Pinksterwereld het nodige (kaf)stof opwaaien. De gevestigde gedachte over de profetie die Johannes
de Doper uitsprak (Matth. 3 v.9-12) was zo ongeveer overeenkomstig hetgeen hierboven al werd
beschreven. (zie A t/m H). Jesaja en Maleachi hadden het reeds aangekondigd.
Du Plessis hield zijn luisteraars de vraag voor: "IN HET BEGIN KEKEN WE MET WELGEVALLEN NAAR JONG
BEKEERDEN, DIE VERVULD MET DE HEILIGE GEEST, ZONGEN EN SPRONGEN, ALSOF ZE ONDER STROOM STONDEN.
VANDAAG DE DAG ZIEN ZULKE HOOGSPANNINGSGELOVIGEN NEER OP OUDE, ERVAREN PINKSTERMENSEN, DIE VOLGENS
HEN, LAUW GEWORDEN ZIJN, OMDAT ZE NIET MEER SPRINGEN EN ZINGEN." Zie: "De Geest maakt levend",
door David du Plessis: blz. 126 e.v. Hij vraagt dan: "Was de geestdrift van de nieuwe bekeerlingen
verkeerd? Is de wat meer ervaren gelovige koud en afvallig geworden in de laatste jaren?"
Du Plessis haalt dan Maleachi 3 v.1-3 aan, de bode die voor Gods aangezicht de weg bereiden zou in
de geest en de kracht van Elia. (Luc. 1 v.17 en 76). Het gaat over Johannes de Doper. Johannes
brengt in Matth. 3 v.7-10 een aankondiging aan het "ADDERENGEBROED", dat absoluut geen vruchten
voortbracht. Ze waren vruchtbomen ZONDER goede vruchten, de bijl (als een zwaard ten oordeel) lag
reeds gereed aan de voet van "DE BOOM" Gen. 3 v.24; 1 Kron. 21 v.16.
HET OORDEEL DOOR VUUR.
Johannes de Doper zei dat deze "bomen" omgehouwen zullen worden en met het ONUITBLUSBAAR
vuur verbrand zullen worden = HET OORDEEL DOOR VUUR. Dit noemt hij mijns inziens zeer terecht HET
OORDEELSVUUR. Dan vervolgt Johannes de Doper met de woorden, tegen de bekeerde zondaars: "IK DOOP
U WEL MET WATER TOT BEKERING, MAAR NA MIJ KOMT HIJ, (Jezus Christus).... WIEN IK NIET WAARDIG BEN
DE SCHOENRIEM TE ONTBINDEN, HIJ ZAL U DOPEN MET DE HEILIGE GEEST EN MET VUUR." Hier wordt niet van
oordeelsvuur gesproken, maar van LOUTERINGSVUUR. Het graan wordt verzameld in de schuur = de
gemeente van Jezus Christus maar alles wat onder het begrip "KAF" valt, zal Hij verbranden met
onuitblusbaar vuur.
DE DOOP IN VUUR.
Johannes de Doper probeert als profeet duidelijk te maken dat een doop met of IN vuur
noodzakelijk is om het kaf te verbranden, als het graan daarvan gescheiden is. Kaf heeft een
tijdelijke functie. Kaf is een essentieel (onder)deel van de graanoogst, maar... wel een
tijdelijke, NIET blijvende.
Kaf heeft een ondersteunende hulpfunctie gehad, opdat het goede, BLIJVENDE GRAAN tevoorschijn kan
komen. Zoals kleine kinderen die nog niet kunnen lopen tegenwoordig in een soort loopwagentje
gezet worden met wieltjes er onder, ze kunnen er niet uit en ze oefenen goed met lopen. Ze botsen
wel overal tegen aan, maar... ze oefenen hun beenspieren totdat ze sterk en groot genoeg zijn om
zelf(standig) te lopen. En zo met vallen en weer opstaan leren ze te WANDELEN. De heer Jezus
beschreef het als volgt: "WIE IN MIJ BLIJFT, GELIJK IK IN HEM, DIE DRAAGT VEEL VRUCHT, WANT ZONDER
MIJ KUNT GIJ NIETS DOEN. WIE IN MIJ NIET BLIJFT, IS BUITENGEWORPEN ALS DE RANK EN IS VERDORD EN
MEN VERZAMELT ZE EN WERPT ZE IN HET VUUR EN ZIJ WORDEN VERBRAND." Joh. 15 v.5-6. Dit, zojuist
genoemde uit Joh. 15 komt grotendeels overeen met het verbranden van het kaf.
DE NOODZAAK VAN DE DOOP IN VUUR.
In een paar geestelijke crisisnachten openbaarde de Heer aan David Du Plessis de hieronder
volgende waarheden, hier PUNTSGEWIJS weergegeven:
Zie het gehele 14e hoofdstuk van 1 Corinthiërs en Hebr. 5 v.12-14.
Tot zover de gedachten die David du Plessis in zijn boeken doorgaf. Laten wij bidden om de doop in vuur, des te spoediger zullen we een grote(re) uitstorting van de Heilige Geest tegemoet kunnen zien. Denkende aan de TEMPELBEEK uit Ezechiël 47 v.1-12 en aan de herrijzenis, beschreven in Ezech. 37 v.1-14.
Tenslotte:
DE DORSVLOER IS VOOR DE GELOVIGEN.
DE RECHTERSTOEL IS VOOR DE ONGELOVIGEN.
Enkele teksten ter overdenking: Spr. 30 v.33; 1 Cor. 3 v.2; Matth. 13 v.27-30; Hebr. 6 v.1; Col. 1 v.28-29; 2 Cor. 7 v.1; 1 Petr. 5 v.10; 2 Tim. 3 v.16-17; Jac. 1 v.2-4.
Verder lezen? Het vervolg van deel 2 is hier te vinden.
Voor eigen gebruik zou je deze bijbelstudie eventueel kunnen printen.