Een bijbelstudie over het leven van David.

De kroon, het symbool van het koningschap.De kroon, het symbool van het koningschap.

 

 

 

Deel 1.

De titels in de onderstaande inhoudsopgave behoren bij deel 1 van een bijbelstudie over koning David. De complete bijbelstudie bestaat uit drie delen. Van deel 1 van deze bijbelstudie zijn uitsluitend de titels in de onderstaande inhoudsopgave met een lichtblauwe achtergrond op deze pagina weergegeven. Onderaan deze pagina vind je een link naar het overzicht van alle lessen van deze bijbelstudie zodat je ook de achtereenvolgende lessen van de andere twee delen van de bijbelstudie in de juiste volgorde kunt lezen.

De overige delen van deze bijbelstudie zijn over de andere pagina's van deze site verdeeld. Een overzicht van alle lessen behorend bij deze bijbelstudie vind je hier.

Inhoudsopgave deel 1
les num. Titel bijbelgedeelte
  Inleiding bij deel 1  
  voorwoord  
les 1 David door zijn vader naar zijn broers gezonden 1 Sam. 17
les 2 David's boezemvriend gaat tot actie over 1 Sam. 14
les 3 David's boezemvriend leert de kracht van honing kennen 1 Sam. 14
les 4 David door God uitgekozen voor het koningschap 1 Sam. 16
les 5 David en Goliath (1e deel) 1 Sam. 17
les 6 David en Goliath (2e deel) 1 Sam. 17
les 7 David en Goliath (3e deel) 1 Sam. 17
les 8 David en Goliath (4e deel) 1 Sam. 17
les 9 Jonathan en David 1 Sam. 18
les 10 Hoe een koning slaaf van satan kan worden 1 Sam. 18
les 11 Red mij van bloedschuld, O God mijns heils 1 Sam. 19
les 12 Er is slechts een schrede tussen mij en de dood 1 Sam. 20
les 13 David te Nob, maar niet in zijn nopjes 1 Sam. 21
les 14 De jonge filistijnse stadsvorst te Gath 1 Sam. 21, 22
les 15 De neerwaartse spiraal 1 Sam. 22
les 16 Alles draait om de oogst 1 Sam. 23
les 17 Saul als pitbull terriër 1 Sam. 23
les 18 Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden 1 Sam. 24
les 19 Een verstandige vrouw is van de Here 1 Sam. 25
les 20 Drieduizend man proberen een vlo te vangen 1 Sam. 26
les 21 Helpers weg.... laatste ronde 1 Sam. 27
les 22 Hij heerse van zee tot zee...tot de einden der aarde 1 Sam. 27
les 23 Maar David sterkte zich in de Here, zijn God 1 Sam. 29, 30
les 24 Toen keerde zijn geest in hem terug 1 Sam. 30
les 25 De geraffineerde leugen van de Amalekiet 2 Sam. 1
  Nawoord  

 

les 17

SAUL ALS PITBULL TERRIËR.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 1 Sam. 23 v.14-28:
Saul blijft David hardnekkig achtervolgen toen deze in de woestijn van Zif zijn toevlucht had gezocht. Bij Choresa wordt David door Jonathan opgezocht en sluiten ze (opnieuw) een verbond. De Zifieten verraden David aan Saul en David trekt nog verder de woestijn in. Als Saul langs de ene en David langs de andere zijde van de berg trekt, komt er op het kritieke moment, vlak voordat hij gegrepen zou worden, een spoedbericht. Zo worden David en al de zijnen op het nippertje gered bij de zg. ROTS DER ONTKOMING=Sela Machlekoth, óók wel genoemd SELA HAMMACHLEKOT.

SAUL ALS PITBULL TERRIËR.
Van deze (veroordeelde) hondensoort is bekend dat ze "nooit" meer loslaten als ze zich eenmaal ergens in vastbijten. Koning Saul's handelwijze komt daar mee overeen, want: "ALLE DAGEN ZOCHT SAUL HEM..." v.14. Maar... er staat óók iets opmerkelijks in datzelfde vers 14, n.l: "MAAR GOD GAF HEM NIET IN ZIJN MACHT". Toen David een paar jaar later verlost was uit de greep van Saul's achtervolging, kon hij in een Psalm getuigen: "TOEN HET MIJ BANG TE MOEDE WAS, RIEP IK DE HERE AAN, TOT MIJN GOD RIEP IK OM HULP. HIJ HOORDE MIJN STEM UIT ZIJN PALEIS, MIJN HULPGEROEP TOT HEM DRONG DOOR IN ZIJN OREN." Psalm 18 v.7.

David die voortdurend van de ene bergvesting naar de andere steenrots moest wegvluchten, is er geestelijk rijker door geworden. Hij kan, NA DE GOEDE AFLOOP, nu zo spreken: "IK HEB U HARTELIJK LIEF, HERE, MIJN STERKTE, O HERE MIJN STEENROTS, MIJN VESTING EN MIJN BEVRIJDER, MIJN GOD, MIJN ROTS, BIJ WIEN IK SCHUIL, MIJN SCHILD.... MIJN BURCHT. Psalm 18 v.3.

Door alle moeilijke praktijkstages heen heeft David nu geleerd dat het God is die zijn STEENROTSBURCHT, VESTING en BEVRIJDER is.

VERVOLGERS, VERRADERS EN... TROOSTER.
In de verzen 14 t/m 19 zien we drie aspecten, t.w:
a. EEN HARDNEKKIGE VERVOLGER.
b. VERRADERS ZIJN ER ALTIJD MEER DAN GENOEG. (v.12 Kehila en v.19 Zifieten).
c. MAAR... ER IS ÓÓK EEN TROOSTER MET TROOST nl. Jonathan=de Here heeft gegeven. Het is meer dan de moeite waard het volle licht even op Jonathans daad te richten, want met zo'n vader was deze handelwijze van Jonathan NIET zonder levensgevaar. Zoals later de Heilige Geest= DE TROOSTER, Jezus Christus ondersteunt, zo vervult als het ware JONATHAN deze rol bij David. In Joh. 16 v.12-13 wordt gezegd: "NOG VEEL HEB IK U TE ZEGGEN, MAAR GIJ KUNT HET THANS NIET DRAGEN, DOCH WANNEER HIJ KOMT, DE GEEST DER WAARHEID, ZAL HIJ U DE WEG WIJZEN TOT DE VOLLE WAARHEID.... EN DE TOEKOMST ZAL HIJ U VERKONDIGEN". En wat deed en zei Jonathan... zie v.16 en 17.

Jonathan ging op weg naar David en hij versterkte zijn vertrouwen op God, en zei: "VREEST NIET, WANT DE HAND VAN MIJN VADER SAUL ZAL U NIET VINDEN, GIJ ZULT KONING OVER ISRAËL ZIJN." Dat was David's toekomst... Petrus zei in 1 Petr. 1 v.11: "DE GEEST VAN CHRISTUS WERKTE IN EN DOOR DE PROFETEN HEEN, TOEN HIJ VOORAF GETUIGENIS GAF VAN AL HET LIJDEN DAT OVER CHRISTUS (de zone Davids) ZOU KOMEN EN VAN AL DE HEERLIJKHEID (als Koning en Hogepriester) DAARNA." Zie ook Hebr. 2 v.9 en 17.

HIEROP SLOTEN DIE BEIDEN EEN VERBOND VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN.
In de lessen 2 en 3 zagen we reeds dat Jonathan een geestelijk mens was en in les 9 zijn grote liefde voor David. Het was de LAATSTE KEER dat ze elkaar op aarde ontmoetten en toen Jonathan in de strijd was omgekomen, schreef David in een klaagzang in 2 Sam. 1 v.26: "HET IS MIJ BANG OM U, MIJN BROEDER JONATHAN, GIJ WAART MIJ ZEER LIEF. UW LIEFDE WAS MIJ WONDERLIJKER DAN DE LIEFDE VAN VROUWEN."

Met welk een grote liefde zal Jezus Christus, de Zoon van David, nu neerzien op Zijn broeders, als zij, op welke wijze dan ook, verzocht worden en strijd hebben te voeren. Hebr. 2 v.11 en 17-18.

EEN SAMENZWERING DIE GEDOEMD WAS OM TE MISLUKKEN.
In de verzen 19 t/m 24 lijkt het fout met David en de zijnen af te lopen. Wie is er bestand tegen zo'n overmacht (v.8) en daarbij vele spionnen en verraders, maar... óók God heeft zo Zijn boden. (v.25). David moest zich terugtrekken in de woestijn MAON = WONING. DE WOESTIJN WAS (voor een tijd) ZIJN WONING, maar daar was ook een ROTS en bij deze ROTS zou zijn redding komen.

SELA HAMMACHLEKOT = ROTS DER ONTKOMING.
Ook hier zien we dat de enige, echte, ware, blijvende scheiding altijd bij "DE ROTS" valt. De ware ROTS DER ONTKOMING Rots der (af)scheiding is Jezus Christus. Het is op DEZE ROTS dat je jezelf te pletter kan lopen en dood kunt ergeren, maar je kunt er óók je geloof op bouwen. Rom. 9 v.32-33. Deze ROTS DER ONTKOMING wordt in de bijbel in allerlei toonaarden bezongen, zie bv. HET LIED VAN MOZES in Deut. 32 v.4,15,18,31. Ook David bezong deze "ROTS" bv. in Psalm 18 v.3,32,47. Tot aan het einde van David's leven blijft DEZE ROTS de hoofdrol vervullen in zijn leven. Als David aan het einde van zijn leven terugkijkt, zingt hij in zijn danklied. 2 Sam. 22 v.3 en 32. "IK WIL SCHUILEN BIJ GOD, WANT HIJ IS MIJN ROTS EN TOEVLUCHTSOORD en.. ALLEEN ONZE HERE IS GOD, WIE IS EEN ROTS BUITEN ONZE HERE."

De laatste woorden van David luidden:
"ISRAËLS GOD SPREEKT. ISRAËLS ROTS ZEGT TOT MIJ..." 2 Sam. 23 v.3.
EN DIE ROTS WAS DE CHRISTUS zegt Paulus in 1 Cor. 10 v.4.

Het hele volk Israël heeft haar lessen in de 40 jarige woestijnperiode kunnen leren, indien ze net zo goed geluisterd zouden hebben als David, want Paulus zegt: "ZIJ DRONKEN ALLEN UIT EEN GEESTELIJKE ROTS, WELKE MET HEN MEDE GING, EN DIE ROTS WAS DE CHRISTUS." Als hén dit is overkomen (1 Cor. 10 v.1-13) tot een voorbeeld voor ons en ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen is gekomen (v.11) dan is het goed om óók de lessen te leren die het leven van David ons kunnen leren.

In David's leven komt het water wel eens tot aan de lippen, zoals in 1 Sam. 23 v.27-28 en dan grijpt God in, want Gods timing is perfect.
David en wij kunnen AMEN zeggen op Petrus' bemoediging uit 1 Petr. 4 v.12:
"VRIENDEN, LAAT U NIET IN DE WAR BRENGEN DOOR DE VUURPROEF DIE U ZULT ONDERGAAN, WANT DIE WAS TE VERWACHTEN. DAARUIT ZAL BLIJKEN OF U OP GOD BLIJFT VERTROUWEN."

ENKELE VRAGEN BIJ LES 17:

Vraag 1: Kunnen wij er, net als David, óók zeker van zijn dat God ons NIET in de macht van de tegenstander geeft?
Vraag 2: Geldt dat nu ook t.a.v. mensen die ons kunnen vervolgen om ons geloof? Dus tot hoever strekt dat?
Vraag 3: Hoe "WERKT DAT", om door vervolging, geestelijk rijker te worden en te belijden: "IK HEB U HARTELIJK LIEF, HERE MIJN STERKTE EN STEENROTS"?
Vraag 4: Beschrijf eens wat je mening is over de verraders/verklikkers.
Vraag 5: Geef ook eens je mening over "de rol" die Jonathan speelde in Choresa.
Vraag 6: Is lijden draaglijker als je al weet hebt van de HEERLIJKHEID die je daarna te wachten staat.
Vraag 7: Tracht 2 Sam. 1 v.26 eens te verklaren.
Vraag 8: David vond een toevlucht in de woestijn Maon=woning. Ook de gemeente van Jezus Christus vindt in deze eindtijd een toevlucht in "DE WOESTIJN". Zit er een overeenkomst in? Zie Openb. 12 v.6,13, 14.
Vraag 9: Vind je dat de (bekende) gelijkenis uit Lucas 6 v.46-49 overeenkomt met wat Mozes en David in hun liederen bezingen? Deut. 32 v.4;15;18;31. en Psalm 18 v.3,32,47.
Vraag 10: Noem eens 3 negatieve dingen die het gevolg waren van het niet of onvoldoende drinken uit de geestelijke rots gedurende de woestijnreis van het volk Israël.

les 18

MIJ KOMT DE WRAKE TOE, IK ZAL HET VERGELDEN.

Korte beschrijving van de situatie. 1 Sam. 24.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe David het leven van Saul spaart. (In hst. 26 wordt beschreven hoe hij dit nogmaals doet). David's verblijfplaats is nu bij de OASE ENGEDI, gelegen aan de rand der woestijn bij de Dode zee. Hij weet weerstand te bieden aan de verleiding om de gezalfde des Heren te doden. (v.11) en legt het één en ander voor aan het hoogste gerechtshof. (v.13 en 16). Saul betuigt zijn spijt maar er is geen diep berouw. Het voortbestaan van zijn nageslacht wordt d.m.v. een eed beklonken.

TOEVALLIG GEEN TOEVAL.
Evenals in 1 Sam. 23 v.28 lijkt het toevallig dat Saul nu uitgerekend die grot binnengaat waar nu juist David en zijn mannen zich schuil houden. (v.4). Een keurkorps van 3000 man opsporingstroepen stond buiten te wachten omdat de koning "TOEVALLIG" even naar de "W.C." moest, mooi omschreven met: "om zich even af te zonderen".(v.4).
In een zéér korte tijd moesten er beslissingen genomen worden die bepalend zouden zijn voor HEDEN en TOEKOMST, DOOD en LEVEN. Wat komt het er dan op aan om niet te gehoorzamen aan wat je omgeving aan "VROME WAARHEDEN" aandraagt. (v.5), maar... wat Gods Geest je in je hart legt.
David maakte de juiste keuze en nam de goede beslissing, terwijl hij naar zijn schoonvader toe sloop. De pressie van zijn mannen achter zich, de verleiding om héél snel koning te kunnen worden en de mogelijkheid om bloedschuld op zich te laden, bezorgden hem HARTKLOPPINGEN (v.6) maar... wat GOD hem in het HART gaf, wist hij te volbrengen, nl. EEN SLIP van de koningsmantel afsnijden.

DE TOEGETAKELDE KONINGSMANTEL.
In 1 Sam. 15 v.26 vernam koning Saul dat vanwege zijn verwerpen van Gods woord, Hij, Saul's koningschap had verworpen. In een wanhoopsdaad grijpt Saul de slip van de profetenmantel, die dan afscheurt... Het ontlokt een profetisch woord aan Samuël dat de AFGESCHEURDE mantelslip symbolisch is voor het RADICAAL afgescheurde koningschap. God zei door Samuël's mond heen: "IK HEB HET (koningschap) GEGEVEN AAN UW NAASTE (David) DIE BETER IS DAN GIJ." 1 Sam. 15 v.28.
Deze naaste, dus David, snijdt nu een slip van Saul's koningsmantel af, waarmee nogmaals uitgebeeld werd dat zijn koningschap nu in de hand van David gegeven zou worden. Dat dit afsnijden geen loos gebaar was, kunnen we lezen in 1 Kon. 11 v.11-13: "TOEN ZEIDE DE HERE TOT SALOMO: OMDAT HET ZO MET U GESTELD IS, DAT GIJ MIJN VERBOND EN MIJN INZETTINGEN, DIE IK U GEBODEN HAD, NIET IN ACHT GENOMEN HEBT, ZAL IK VOORZEKER HET KONINKRIJK VAN U AFSCHEUREN EN HET UW KNECHT GEVEN." In 1 Kon. 11 v.29-36 lezen we dat de profeet Ahia uit Silo de nieuwe mantel greep die hij droeg en in 12 stukken scheurde.
Tien stukken gaf hij aan Jerobeam, voorstellende 10 stammen van Israël. Het nageslacht van Salomo kreeg 1 deel, d.w.z. de stam JUDA toebedeeld.

EEN SLIP VAN DE KONINGSMANTEL i.p.v. BLOED AAN ZIJN ZWAARD.
De positieve, geestelijke kwaliteiten van David komen duidelijk naar voren in v.5 t/m 8. Om een paar honderd man achter je te weten, die er voor 100% van overtuigd zijn dat DIT Gods moment is om afrekening te houden, dan is het zwaar om hier van af te wijken. Zie Jozua 8 v.1-2. David keerde niet terug met het bloed van Saul aan zijn zwaard, maar met een stukje koningsmantel, een bewijsstukje van Gods belofte aan hem gedaan. David had alweer een zware verzoeking overwonnen door het blijven vertrouwen op God. "EN DAVID WEERHIELD ZIJN MANNEN DOOR ZIJN WOORD, HIJ LIET HEN NIET TOE SAUL TE OVERVALLEN."
David's toestand was te vergelijken met die van de jonde JEREMIA DIE ALS PROFEET GEROEPEN WERD en toen tegen God zei: "ACH HERE HERE, ZIE IK KAN NIET SPREKEN, WANT IK BEN JONG." Maar God vervolgde met:"...ALLES WAT IK U GEBIED, ZULT GIJ SPREKEN. VREES NIET VOOR HEN, WANT IK BEN MET U. Toen roerde HIJ mijn mond aan en zei: ZIE IK LEG MIJN WOORDEN IN UW MOND." Jer. 1 v.4-9. Gehoorzamen aan de (zachte) stem van de Heilige Geest zal ons doen bekleden met gezag als wij spreken. (v.8).

EEN WARM PLEIDOOI VAN DAVID.
In de verzen 9-16 beweert David, kort samengevat, deze dingen:

  1. KONING, LUISTER TOCH NOOIT NAAR DE LASTERTAAL VAN ANDEREN OVER MIJ. (David) v.10.
  2. IK HEB NET ZELF EEN VERZOEKING AFGESLAGEN. v.11-12.
  3. IK (David) GEEF HET OORDEEL OVER IN DE HANDEN VAN DE HEMELSE RECHTER. v.13-16.

Saul is er kennelijk van overtuigd dat het de Here zelf was die hem in de macht van David had overgeleverd. v.19. Saul kon de handelwijze van David niet goed (meer) begrijpen. Je zou denken dat Saul van een blijvend, diep berouw blijk zou geven in de toekomst, gezien Saul's wenen en zijn uitspraken. v.17-18. Je kunt hier echter beter spreken van een "emotionele incontinentie" en helaas niet van een radicale "GEESTELIJKE OMWENTELING". 1 Sam. 26 toont dit aan.

DE GROTE VREES VAN KONING SAUL.
De laatste ontmoeting op aarde en de laatste woorden van Saul tegen David weerspiegelen zijn grote vrees, t.w: "ZWEER MIJ DAN BIJ DE HERE, DAT GIJ MIJN NAKOMELINGEN NIET ZULT UITROEIEN, NOCH MIJN NAAM UIT MIJN FAMILIE ZULT UITDELGEN." v.22. Het was een schande in Israël als je naam verdween uit de geslachten. Zie bv. Ruth 4 v.10: "ZO ZAL DE NAAM VAN DE GESTORVENE NIET UITGEROEID WORDEN UIT ZIJN BROEDEREN EN UIT DE POORT ZIJNER WOONPLAATS."
Het wél verdwijnen van NAAM, en dus nageslacht, werd als een vloek beschouwd. David schreef later in Psalm 37: "WANT BOOSDOENERS WORDEN UITGEROEID, EN WIE DE HERE VERWACHTEN, ZIJ ZULLEN HET LAND BEËRVEN." v.9. en: "VOORWAAR, DE DOOR HEM GEZEGENDEN BEËRVEN HET LAND, MAAR DE DOOR HEM GEVLOEKTEN, WORDEN UITGEROEID." v.22. Zie ook Spr. 2 v.22; Matth. 5 v.13. David had geen vertrouwen in de krokodillentranen van Saul en... TOOG MÉT ZIJN MANNEN WÉÉR NAAR DE BERGVESTING.

ENKELE VRAGEN BIJ LES 18:

Vraag 1: Vind je het waarschijnlijk dat God zelfs een sanitaire stop inpast in Zijn plan?
Vraag 2: Hoe leer je om in kritieke situaties toch de zachte stem van de Heilige Geest te verstaan en te gehoorzamen?
Vraag 3: Wanneer reken je iets tot bloedschuld en wanneer zou er sprake kunnen zijn van een rechtvaardig oordeel?
Vraag 4: Vind je het resp. afscheuren of afsnijden van een slip van een (profeten of konings-) mantel, een gebeurtenis met een diepere geestelijke betekenis?
Vraag 5: Zie je het terugkeren met een klein stukje mantel i.p.v. een met bloed besmeurd zwaard, als een verzoeking voor David? Motiveer je antwoord.
Vraag 6: Hoe verklaar je het gezag waarmee David zijn mannen weerhield door zijn woord? v.5-8.
Vraag 7: Zie je overeenkomst tussen de jonge Jeremia en de jonge David?
Vraag 8: Kunnen we nog iets leren van David waar het betreft: het oordeel overgeven aan de hemelse rechter?
Vraag 9: Wat zou jij willen verstaan onder een radicale geestelijke omwenteling?
Vraag 10: Waarom beschouwde een rechtgeaarde Israëliet het voortbestaan van zijn naam en nageslacht als een zeer groot belang?

les 19

EEN VERSTANDIGE VROUW IS VAN DE HERE. Spr. 19 v.14.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 1 Sam. 25.
In dit 44 verzen tellende hoofdstuk gaat het in grote lijnen over een dwaas man, NABAL, die zeer rijk was, maar hard, ruw en een liefdeloze materialist. Zijn vrouw Abigaïl echter ontpopt zich als iemand met een goed verstand, schoon van gestalte, maar vooral buitengewoon WIJS en NEDERIG. Dank zij de wijsheid van deze vrouw wordt David weerhouden bloedschuld op zich te laden. v.26 en 33. Nabal schonk zichzelf vol met alcohol, vierde feest als een koning, maar stierf kort daarna als een arme dwaas. v.36-38. David neemt deze nederige vrouw kort daarna tot zijn vrouw. v.41.

BIJNA EEN HERDERLIJKE MISSTAP....
Indien wij deze boeiende geschiedenis lezen, valt het ons op dat David bijna de fout ingaat. Er waren "voldoende" redenen om zeer verbolgen over te worden. Als een ervaren "herder" had David met zijn helpers, mens en dier van Nabal bewaakt en beschermd. v.15-16. "EEN MUUR WAREN ZIJ OM ONS HEEN, ZOWEL BIJ NACHT ALS BIJ DAG, AL DE TIJD DAT WIJ IN HUN NABIJHEID DE SCHAPEN WEIDDEN." Zo verklaarde de knecht van Nabal. v.14.
De vraag van Nabal: "Wie is David en wie is de zoon van Isaï", spreken van een diepe minachting voor de persoon en zijn geslacht. De profeet Micha zou het later ook zeggen, maar dan met een 100% andere hartsgesteldheid, nl: "... EN GIJ, BETHLEHEM EFRATHA, AL ZIJT GIJ KLEIN ONDER DE GESLACHTEN VAN JUDA, UIT U ZAL MIJ VOORTKOMEN DIE EEN HEERSER ZAL ZIJN OVER ISRAËL." Micha 5 v.1. Daarom kon ook vele jaren later, Maria, als nageslacht van David, en vervuld met de Heilige Geest, het uitroepen: "....MIJN GEEST HEEFT ZICH VERBLIJD OVER GOD, MIJN HEILAND, OMDAT HIJ HEEFT OMGEZIEN NAAR DE LAGE STAAT ZIJNER DIENSTMAAGD." Luc. 1 v.47-48.

DE GESCHIEDENIS HERHAALT ZICH....
De "haat van Nabal" vinden we vele jaren later ook terug als "DE ZOON VAN DAVID" = Jezus Christus, getuigt dat HIJ de Christus is, de doper met de Heilige Geest. Zie Joh. 7 v.37-44. In het zojuist genoemde bijbelgedeelte is het probleem ten diepste niet of Jezus nu "DE PROFEET" of "DE CHRISTUS" of "EEN GALILEËR" is, maar... of HIJ het is die mocht zeggen: "WIE IN MIJ GELOOFT, GELIJK DE SCHRIFT ZEGT, STROMEN VAN LEVEND WATER ZULLEN UIT ZIJN BINNENSTE VLOEIEN." Joh. 7 v.38-39.

ZO JE HART IS, ZO IS OOK JE BELIJDENIS.
Let er eens op dat Abigaïl = mijn vader is vreugde, een totaal andere belijdenis aflegt dan haar man Nabal. In 1 Sam. 25 v.28-31 geeft ze er blijk van héél goed af te weten, zowel van zijn verleden (v.28) als van zijn toekomstige koningschap en Gods beloften over zijn leven. (v.30). Het NIET willen belijden: "JEZUS CHRISTUS IS HEER" is lang niet altijd een NIET WETEN, maar dikwijls een weigering. Jer. 9 v.6 zegt: "HIER WOONT ONDERDRUKKING OP ONDERDRUKKING, BEDROG OP BEDROG, ZIJ WEIGEREN MIJ TE KENNEN, LUIDT HET WOORD DES HEREN". Zie ook Rom. 1 v.28-32 waar Paulus schrijft dat door het verwerpelijk te achten om God te erkennen, de menselijke "denktank" meer gelijkt op een beerput van waaruit giftige gedachten en daden als dampen omhoog kringelen en de geestelijke atmosfeer verpesten. "VERVULD VAN ALLERLEI ONRECHTVAARDIGHEID, BOOSHEID, HEBZUCHT" etc. (v.29.)

DE GOD DIE BEWAART VOOR ZONDE EN BLOEDSCHULD.
In dit hoofdstuk staan de woorden: BEWAREN VOOR BLOEDSCHULD als het ware centraal. Het was weer eens een grote verzoeking, om het recht in eigen hand te nemen toen David zei: "IEDER GORDE ZIJN ZWAARD AAN." v.13. In 1 Sam. 24 v.5-8 behaalde David nog een grote overwinning over de verzoeking waarmee de boze hem trachtte onderuit te halen. Dit gelijkt precies op het gebeuren in Matth. 16 v.23 waar Jezus tot Petrus zei: "GA WEG ACHTER MIJ SATAN: GIJ ZIJT MIJ EEN AANSTOOT, WANT GIJ ZIJT NIET BEDACHT OP DE DINGEN GODS, MAAR OP DIE DER MENSEN."
En Petrus bedoelde het zo goed en óók David meende nu het recht van spreken en handelen wel in eigen hand te mogen nemen.

MISLEID WORDEN DOOR SATAN.
Ieder mens blijft hoofdelijk verantwoordelijk voor elke (mis)daad die hij doet. Pred. 12 v.14. Dat geldt ook voor zijn woorden. Matth. 12 v.36-37. Maar... God weet wie hem lief heeft. God weet óók dat Zijn heiligen misleid (kunnen) worden door de satan. Soms door moeilijke praktijklessen heen, blijft Hij voor Zijn volk de grote hemelse regisseur. Paulus zegt het in Rom. 8 v.27-28 als volgt: "HIJ, DIE DE HARTEN DOORZOEKT, WEET DE BEDOELING DES GEESTES, DAT HIJ NAMELIJK NAAR DE WIL VAN GOD, VOOR HEILIGEN PLEIT. WIJ WETEN NU DAT GOD ALLE DINGEN DOET MEDEWERKEN TEN GOEDE, VOOR HEN DIE GOD LIEFHEBBEN."
In dit geval bij David gebruikte God een oprechte vrouw om hem van een ernstige zonde af te houden door de schuld voor haar rekening te nemen. v.23-24. In v.39 zien we de "oplossing", die op langere termijn gezien altijd veel beter is dan onze "LIK OP STUK" oplossing. We lezen dat David aan Abigaïl een verstandige, knappe vrouw kreeg (v.3) maar... haar beste kwaliteiten zien we in v.41, nl. NEDERIGHEID EN IN HAAR HELE OPTREDEN GEEFT ZE BLIJK VAN WIJSHEID. (v.23-31).

SAMENVATTING EN CONCLUSIE.
Gods handelen met David zou je een "HEILIG MANIPULEREN" kunnen noemen, zó, dat hij voor kwaad bewaard wordt. De positieve hartsgesteldheid van David is kennelijk Gods motief om in te grijpen. Later in zijn leven zien we dat David de (kwalijke) gevolgen van zijn eigen zonde(n) te dragen krijgt.
Ter overdenking enkele tekstgedeelten om de juiste balans te vinden: Ps. 31 v.24; Ps. 145 v.20; Spr. 16 v.17; Spr. 19 v.16; 2 Thess. 3 v.3; Joh. 17 v.15; Judas v.20; Jac. 1 v.27; 1 Petr. 1 v.3-5; Openb. 2 v.26-29.
In Jac. 1 v.27 lezen we: "ZUIVERE EN ONBEVLEKTE GODSDIENST VOOR GOD, DE VADER IS… zichzelf onbesmet van de(ze) wereld bewaren."

ENKELE VRAGEN BIJ LES 19:

Vraag 1: Heb je na deze les (en evt. de vorige lessen) gelezen te hebben, enigszins een idee hoe het dagelijks leven van David er uit zag? Zie v.7, 15, 16. Zie ook o.a. 1 Sam. 23 v.5, 13, 14, 25.
Vraag 2: Denk je dat Nabal goed op de hoogte was van David's komende koningschap? (v.10) Was het naar jouw mening onwil of gebrek aan kennis?
Vraag 3: Kom je het probleem wat je leest in bv. Joh. 7 v.37-44 ook vandaag de dag nog tegen?
Vraag 4: Waar is vooral de grote weerstand tegen gericht?
Vraag 5: Geef je mening eens over de volgende twee tekstgedeelten, t.w: Jer. 9 v.6 en Rom. 1 v.28-32.
Vraag 6: Waarom voelde David zich zo diep gekrenkt? Zie v.21-22.
Vraag 7: Indien je de verzen 6 en 34 eens na(ast) elkaar leest wat denk je dan, vooral als je ook nog v.12-13 leest?
Vraag 8: Welke rol of aandeel mag je de satan toebedelen in v.12-13? Lees ook Matth. 16 v.23.
Vraag 9: Vind jij het ook zo moeilijk om precies een scherpe scheidingslijn te trekken tussen resp.
a. HIER LIGGEN DE GRENZEN VAN MIJN PERSOONLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID NAAR GOD EN MEDEMENS. En
b. UIT DEZE (moeilijke) SITUATIE ZAL DE GROTE "HEMELSE REGISSEUR" MIJ WEL (weer) REDDEN.
Vraag 10: Probeer eens aan te geven waar (dus) de grenzen lopen van: "WIE BEWAART MIJ EN TOT HOEVER REIKT DEZE BEWARING".

les 20

DRIEDUIZEND MAN PROBEREN "ÉÉN VLO" TE VANGEN.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 1 Sam. 26
Na een paar jaar achtervolging door Saul, spreken ze elkaar voor de laatste keer. Het lijkt erop dat de rollen enigszins omgedraaid worden. Niet alleen Saul, maar ook David trok op, richting Saul's legerplaats. David gaat zelf(s) tot actie over door in de nacht bij Saul zowel speer als waterkruik weg te nemen. Vervolgens wordt Abner wakker geroepen en "ter verantwoording" geroepen. Koning Saul geeft blijk van spijt van al zijn achtervolgingen, maar David heeft terecht geen vertrouwen in deze "gemoedsexplosie" van Saul. Kort hierop neemt David de wijk naar het buitenland.

EEN VELDHOEN GEZOCHT OM TE OFFEREN.
David zag zichzelf als een opgejaagde veldhoen die mooi als een "OFFER" zou kunnen dienen (v.18-20) en... als een "LASTIGE VLO" die doodgedrukt moest worden. Denkend aan v.12 is er geen twijfel aan dat God hem tot deze moedige daad heeft aangezet, nl. om tot een "TEGENAANVAL" over te gaan. Zoals Mozes eenmaal vanaf de berg Nebo=hoog zijn, het beloofde land in ogenschouw mocht nemen en Elia vanaf de berg Sinaï (Horeb) Gods heerlijkheid mocht aanschouwen, zo mocht David vanaf een bergtop Saul's legerplaats observeren en zag daar Saul en Abner, zijn legeroverste, liggen en... zijn eigen KONINGSCHAP in het verschiet.
David daalde in de nacht af, samen met Abisaï = mijn vader is (bron van) rijkdom, af naar de "openlucht-slaapkamer" van de koning. Opnieuw kwam er een levensgrote verzoeking op David af door de mond van Abisaï. (v.8).

EEN KONINGSCHAP, DOOR GEWELD VERKREGEN, IS NIET UIT GOD EN ONTVANGT GÉÉN ZEGEN...

David wist opnieuw de verzoeking af te slaan en getuigde: "BRENG HEM NIET OM, WANT WIE SLAAT ONGESTRAFT ZIJN HAND AAN DE GEZALFDE DES HEREN." v.9-10. David had een betere oplossing.

EEN SYMBOLISCHE HANDELING…..
Elk wederomgeboren kind van God heeft twee dingen broodnodig, t.w:

  1. WATER.
  2. ZIJN WAPENRUSTING (speer).

David nam zowel SPEER als WATERKRUIK bij Saul weg, daarmee wilde God tot uitdrukking brengen wat Hij al eerder in niet mis te verstane woorden had gezegd tegen Saul via Samuël. Zie 1 Sam. 13 v.13-14; 1 Sam. 15 v.10-11 en v. 22-23 en 28-29; 1 Sam. 31 v.1-6.
Van Saul was de Geest des Heren geweken, lezen we in 1 Sam. 16 v14 en Saul werd "BEZET GEBIED". Op deze dag werd het vonnis als het ware bekrachtigd, want toen David de waterkruik van Saul wegnam, drukte hij daarmee uit dat de Geest des Heren van hem weggenomen was. Nog ruim één jaar vervolgde Saul zijn weg als een onbetrouwbare bezetene die steeds dieper weg zonk in de poel van occulte duisternis, iets wat hij eerder zo fel bestreden had. 1 Sam. 27 v.7; 1 Sam. 28 v.3 en 7-10.
David nam ook Saul's speer weg, daarmee tot uitdrukking brengend dat VANAF NU, zelfs zijn wapenrusting zou falen met alle fatale gevolgen van dien....

PAS OP JE KRUIK EN JE WAPENRUSTING.
"TOEN DE (Filistijnse) BOOGSCHUTTERS HEM ONDER SCHOT KREGEN, BEEFDE HIJ ZEER VOOR DE SCHUTTERS.... DAAROP NAM SAUL HET ZWAARD EN STORTTE ZICH ER IN.... DE FILISTIJNEN HIEUWEN ZIJN HOOFD AF, ROOFDEN ZIJN WAPENRUSTING... en legden deze neer in de tempel van Astarte. 1 Sam. 31 v. 3-4 en 9-10.
Een bijzonder triest einde van het leven van een koning.

Let op wat David deed (v.16 en 22). De speer kon door één der soldaten worden opgehaald, maar over de WATERKRUIK werd door David niet meer gerept. Waarom niet?? In de wildernis, de woestijn van Zif, is zonder water géén leven mogelijk. (v.1-4). De Israëlieten ondervonden dat, leert ons Exod. 15 v.22-25: "DRIE DAGEN TROKKEN ZIJ DOOR DE WOESTIJN SUR ZONDER WATER TE VINDEN.... DAAROM NOEMDE MEN DIE PLAATS MARA=bitter. TOEN MORDE HET VOLK TEGEN MOZES EN ZEI: WAT MOETEN WIJ DRINKEN...." Geestelijk in leven blijven in onze Pelgrimsreis door de woestijn van dit leven, is onmogelijk zonder het levende water = DE ONDERSTEUNENDE, LEIDENDE KRACHT VAN DE HEILIGE GEEST. (Openb. 12 v.6 en 14). Joh. 6 v. 63 zegt: "DE GEEST IS HET DIE LEVEND MAAKT..." Joh. 7 v.37-39 leert: "...INDIEN IEMAND DORST HEEFT, HIJ KOME TOT MIJ EN DRINKE. WIE IN MIJ GELOOFT, GELIJK DE SCHRIFT ZEGT, STROMEN VAN LEVEND WATER ZULLEN UIT ZIJN BINNENSTE VLOEIEN. DIT ZEIDE HIJ VAN DE GEEST, WELKE ZIJ, DIE TOT GELOOF IN HEM KWAMEN, ONTVANGEN ZOUDEN..."
Saul was nu definitief én "ONTWAPEND" én van Gods bronnen afgesneden. 1 Sam. 28 v.6 en 7.

NIEMAND..... NIEMAND..... NIEMAND.
Het moge duidelijk zijn dat David's handelen t.a.v. kruik en speer beslist géén loze gebaren waren. Vers 12 zegt: "NIEMAND ZAG HET.... NIEMAND MERKTE HET.... NIEMAND ONTWAAKTE, want allen sliepen, daar er een diepe slaap des Heren op hen gevallen was." Toen David op een veilige afstand, opnieuw op een bergtop stond, werd "DE SLAAP DES HEREN" radicaal weggenomen. (v.13-17). Hierin had koning Saul gelijk toen hij zijn laatste woorden op aarde tegen zijn schoonzoon David sprak, v.25: "GEZEGEND ZIJT GIJ, MIJN (schoon)ZOON DAVID. WAT GIJ OOK DOET, GIJ ZULT ZEKER SLAGEN".
David was van een grote geestelijke klasse. Noch Saul, noch Abner, zijn legeroverste, wilde hij doden. Abisaï, die David vergezelde, was een broer van Joab, de latere legeroverste van David. Een aantal jaren later zouden deze twee broers Abner, als bloedwraak, vermoorden nadat David Abner en zijn gezelschap in vrede had ontvangen en een maaltijd aangeboden had. En David ging in rouwgewaad, weeklagend achter de dodenbaar aan om Abner te begraven. DAVID ZEI: "WEET GIJ NIET, DAT ER DEZE DAG EEN VORST, EEN GROOT MAN, GEVALLEN IS IN ISRAEL..." Zie 2 Sam. 3 v.17-21 en 26-39.
Een even grote, positieve, geestelijke opstelling vinden we bij David als hij op de hoogte gebracht wordt van de dood van Saul en Jonathan. Zie David 's klaaglied in 2 Sam. 1 v.17-27.

ENKELE VRAGEN BIJ LES 20:

Vraag 1: Is het je opgevallen dat David van "EEUWIGE" vluchteling, nu eindelijk tot een soort "tegenactie" is overgegaan? (v.5). Kun je daar een verklaring voor geven?
Vraag 2: Zou je uit datgene wat in hst. 26 geschreven staat (voorzichtig) durven te concluderen dat David, wat de toekomst betreft, al meer gezien heeft dan er geschreven staat bv. dat zijn daadwerkelijke koningschap nu zeer aanstaande was? Zie v.10.
Vraag 3: Is het in verband met vraag 2 verklaarbaar dat juist in deze situatie de boze met een gevaarlijke verzoeking komt, door de mond van Abisaï?
Vraag 4: Probeer eens onder woorden te brengen wat er allemaal gebeurd zou kunnen zijn, als David op deze verzoeking was ingegaan? v.8-9.
Vraag 5: Maar wat zou er gebeurd zijn als "de zoon van David" = Jezus Christus ingegaan was op de verzoeking van de duivel, beschreven in Matth. 4 v.1-11, speciaal v.8-11?
Vraag 6: Zie je een overeenkomst tussen resp. het wegnemen van de levensnoodzakelijke kruik met drinkwater van Saul en hetgeen beschreven staat in 2 Cor. 4 v.6 en 7 waar staat: "...MAAR WIJ HEBBEN DEZE SCHAT IN AARDEN VATEN."
Vraag 7: Wanneer functioneert onze geestelijke wapenrusting wel of niet? Vergelijk dit eens met de natuurlijke wapenrusting van Saul. Zie Hand. 19 v.13-20 en Ef. 6 v.10-20.
Vraag 8: David liet uitsluitend Saul's speer terughalen, wetende dat zijn wapenrusting immers toch zou falen. Zie Ps. 33 v.16-17. Voor David gold v.18-22. Hoe is het met jouw wapenrusting??
Vraag 9: Zou Psalm 20 geheel een weerspiegeling kunnen zijn van de vele, moeilijke levenslessen die David op dit gebied heeft geleerd? Welke lessen kun je uit deze Psalm van David halen?
Vraag 10: Waaruit kun je opmaken dat God wel degelijk bemoeienis had met de "tegenactie" van David? Zie v.12.
Vraag 11: Kun je uit de in deze les genoemde gegevens opmaken dat David NIET wraaklustig of haatdragend was?
Vraag 12: Waarom ging David niet in op de uitnodiging van zijn schoonvader om weer terug te keren? v.21.

 les 21

Helpers weg... laatste ronde

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. (1 Sam. 27).
Het eerste boek SAMUEL eindigt met het hoofdstuk 31. Dit hoofdstuk wordt niet behandeld, evenmin als hst. 28 waarin uitvoerig verteld wordt hoe Saul in zijn wanhoop heil zoekt bij het laatste spiritistische medium, dat hij nog niet uitgeroeid had. Er resteren nu dus resp. hst.27: 29 en 30 waarin het laatste deel van David's ballingschap wordt beschreven. Als vluchteling is hij nu bovendien nog een asielzoeker geworden in Gath, de koninklijke stad der Filistijnen. Al spoedig "verhuist" David met de zijnen naar Ziklag, het stadje van waaruit David en zijn mannen de oorlogen des Heren verder voeren nu koning Saul in feite is uitgeteld. David voorziet op deze wijze tevens in zijn levensonderhoud. Een geestelijke verklaring hiervan is vooral in les 22 te vinden.

DAVID BIJ DE FILISTIJNEN, NIET NAAR DE FILISTIJNEN.
Saul heeft in de afgelopen jaren getoond absoluut onberekenbaar te zijn, dus niet te vertrouwen. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat David, na al die jaren achtervolging in de diverse woestijnen en wildernissen, het nu wel eens wat rustiger aan zou willen doen. Ik geloof dat daar op zichzelf niets op tegen is. God vraagt niet van ons dat we het onszelf en onze omgeving ONNODIG zwaar en moeilijk maken. De bijbel spreekt steeds van 600 (strijdbare) mannen, maar ook dienaressen (1 Sam. 25 v.42) en de vrouwen, zonen en dochters (1 Sam. 30 v.2-3 + 18-19). Voorzichtig geschat, een leefgemeenschap van tussen de 1200 en 1500 mensen, die ELKE DAG gevoed en gelaafd en gekleed moesten worden. En dan spreken we nog maar niet over alle sanitaire voorzieningen etc. O.a. aan de hand van het lijstje uit 1 Sam. 30 v.26-31 kunnen we opmaken dat David en de zijnen op zeker meer dan 20 verschillende plaatsen en door een groot deel van het land heeft rondgezworven. Een verlangen naar een vaste "LANDINGSPLAATS" in het buitenland lijkt dan ook alleszins begrijpelijk en gerechtvaardigd.

DE LAATSTE LOODJES WEGEN HET ZWAARST.
Zo kwam David als laatste pleisterplaats in Ziklag terecht, in het gebied dat beheerst werd door de Filistijnen. De gedachte: "OP DE EEN OF ANDERE DAG ZAL IK TOCH NOG DOOR DE HAND VAN SAUL OMKOMEN," was misschien niet op geloof en Godsvertrouwen gebaseerd. Het doet wel denken aan de geestelijke depressie die Elia overviel na het Karmelgericht, toen hij verzuchtte: "HET IS GENOEG, NEEM NU HERE, MIJN LEVEN, WANT IK BEN NIET BETER DAN MIJN VADEREN." (1 Kon. 19 v.4.) Natuurlijk wist David wel dat Samuël hem, in opdracht van God, tot koning had gezalfd en ...zoveel meer. Maar in de geestelijke strijd kan de druk soms zo hoog oplopen dat men "terugvalt" op verstandelijke overwegingen en ...beslissingen.

DAVID KLOPT OPNIEUW BIJ KONING ACHIS AAN.
David was als eenzame asielzoeker al eens eerder naar Gath gevlucht enkele jaren daarvoor (1 Sam. 21 v.10-11) en ontkwam toen ternauwernood aan een terechtstelling. Nu kwam hij met zijn 600 strijders en hun gezinnen. Koning Achis zag nu in hem een bruikbare handlanger tegen Saul en was hem zeer welgezind. Maar leven zo vlak onder de ogen van deze Filistijn lokte David niet aan. Zo kwam David in Ziklag terecht, ruim 40 km. van Gath verwijderd. Op deze wijze had de koning niet de dagelijkse controle op David's doen en laten en bracht David zelf rapport uit. (v.9+12).

SCHRAPPEN OF.... VERKLAREN.
In een bijbelverklaring lees ik over de verzen 8-12 deze verklaring: "een afschuwelijke barbaarsheid, waardoor wij David niet van de beste kant zien, maar wel als een kind van zijn tijd." De grote vraag is echter of dat juist is. Als KIND VAN ZIJN TIJD, leefde hij in het Oude verbond, waar de strijd met de vijand met het zwaard etc. werd uitgevochten. Denk aan het verslaan van Goliath. In het NIEUWE VERBOND, dat dank zij het sterven en de opstanding uit de doden, door Jezus Christus is gekomen, gelden andere = betere wetten en betere beloften. De wetten uit het Oude verbond worden als het ware "NAAR BINNEN VERPLAATST," naar het HART, het GEWETEN van de (wederomgeboren) mens en hun denken wordt vernieuwd. Zie Hebr. 8 v.10 en Rom. 12 v.2. David heeft (zie daartoe alle vorige lessen) vele malen blijk gegeven een zeer fijn besnaard, gewetensvol mens te zijn die zichzelf en zijn mannen er van weerhield om (bloed)wraak te nemen, maar alles aan Gods rechtvaardige oordeel over te laten. Slaat David dan nu de plank goed mis ???? David kende, zonder enige twijfel de (voor)geschiedenis van zijn land en volk van Abraham tot Samuël. Hij kende ook zeker Gods bevelen, gedaan aan Mozes en Jozua en Gods beloften, dit blijkt ook uit zijn psalmen. Zie bv. Ps. 66 v.6-7.

DAVID DE PROFEET.
Dat David zijn vaderlandse geschiedenis kende ligt voor de hand. Dat David de toekomst vertelde in zijn psalmen, berust op een profetische gave. Denk aan psalm 22:68;110. etc.
DE OPDRACHT OM DE HEIDENSE VOLKEN TE VERDRIJVEN WAS VAN GOD GEKOMEN. GOD HAD BELOFTEN GEDAAN AAN ISRAËL EN DE BEGRENZINGEN AANGEGEVEN VAN ZIJN TOEKOMSTIGE "BELOOFDE LAND".

LET OP GODS UITSPRAKEN.
"DE SCHRIK VOOR MIJ ZAL IK VOOR U UIT ZENDEN: IK ZAL IN VERWARRING BRENGEN ELK VOLK WAARMEDE GIJ IN AANRAKING KOMT EN IK ZAL UW VIJANDEN VOOR U DOEN VLUCHTEN" (Exodus 23 v.27.)
Keer op keer herhaalt God de grote afmetingen van het beloofde land oftewel gebied. (Ex. 23 v.27-33 spec. v.31 en Deut. 1 v.6-8 en Deut. 11 v.24-25 en Jozua 1 v.1-9 spec. v.4.) Salomo zingt in psalm 72 v.8-9 een gebed met daarin de (vurige) wens dat: "HIJ HEERSE VAN ZEE TOT ZEE, VAN DE RIVIER (de Eufraat) TOT DE EINDEN DER AARDE."

ENKELE VRAGEN BIJ LES 21:

Vraag 1: Vraagt Gods woord van ons dat we ons altijd als slachtvee naar de slachtbank moeten laten leiden of wordt er ook wel eens gesproken van VLUCHTEN? Zie Gen. 19 v.17-22; Exod. 2 v.15; 1 Sam. 19 v 10; 2 Sam. 15 v.14; Matth. 2 v.13; Matth. 10 v.23; Matth. 24 v.16; Openb. 12v.6.
Vraag 2: Als je alle teksten bij vraag 1 gelezen hebt, wat is dan je conclusie. Vluchten en vluchten is lang niet altijd hetzelfde. Licht dat eens toe. Niet al het vluchten is naar Gods wil. Waarom niet? Het moeten vluchten kan ook door eigen zonde(n) worden veroorzaakt.
Vraag 3: Hoe kunnen we proberen te voorkomen dat we in perioden van druk terugvallen op uitsluitend verstandelijke overwegingen?
Vraag 4: Wanneer kan een verstandelijke overweging en daarop aansluitend een beslissing, toch wel degelijk goed zijn?
Vraag 5: Als je de hier genoemde bijbelgedeelten hebt bestudeerd, kom je dan (ook) tot de conclusie dat God HET BEHOUD en niet hun vernietiging op het oog heeft? Zie Jozua 6 v.21-23 + 25; Joz. 2 v.8-15; Ruth 1 v. 16-17; Ruth 4 v.17; 2 Sam. 15 v.17-23. Psalm 87.
Vraag 6: Kun je uit de psalmen aantonen dat deze meer inhouden dan alleen maar een weergave van historische gebeurtenissen, bv. dat ze PROFETISCHE "zaken" behandelen oftewel VERKONDIGEN?
Vraag 7: Probeer eens een verklaring te geven van Salomo's Psalm 72 v.8-9.
Vraag 8: De Eufraat was een der vier paradijsrivieren en betekent "zoet water". Zou je deze rivier ook een geestelijk sterk vervuilde rivier kunnen noemen?

les 22

HIJ HEERSE VAN ZEE TOT ZEE... TOT DE EINDEN DER AARDE.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. Psalm 72. 1 Sam. 27 v.8-12
Nadat David door de Filistijnse koning van Gath, genaamd Achis, als asielzoeker was geaccepteerd en deze hem de stad Ziklag had toegewezen als verblijfplaats, ongeveer 40 km. van Gath verwijderd, lezen we: "DAVID NU EN ZIJN MANNEN TROKKEN UIT EN DEDEN OVERVALLEN OP... WANT DEZE WAREN DE BEWONERS VAN HET LAND VAN OUDSHER." We zien, na koning Saul, nu David een begin maken met de verovering van het (hele grote) gebied dat God beloofd had aan Israël te zullen geven.

EEN DROOM DIE LANGZAMERHAND WERKELIJKHEID WERD en... WORDT.
Oppervlakkig gezien is dit gedeelte van 1 Sam. 27 een zéér moeilijk te verklaren bijbelgedeelte, tenzij wij onze "GEESTELIJKE BRIL" er bij opzetten. De handelwijze van David en zijn legertje vormt een integraal onderdeel van Gods grote (verlossings)plan, die allereerst in de zichtbare, natuurlijke wereld gestalte zou krijgen en daarna een beeld zou blijken te zijn van het KONINKRIJK VAN GOD. Ten tijde van David's zoon, Salomo meldt 1 Kon. 4 v.21-25: "KONING SALOMO REGEERDE OVER HET HELE GEBIED TUSSEN DE EUFRAAT EN HET LAND DER FILISTIJNEN EN IN ZUIDELIJKE RICHTING TOT AAN DE EGYPTISCHE GRENS. DE OVERWONNEN VOLKEN IN DIE GEBIEDEN BETAALDEN SALOMO BELASTING EN BLEVEN HEM ZIJN HELE LEVEN DIENEN. ZIJN GRONDGEBIED STREKTE ZICH UIT OVER ALLE KONINKRIJKEN TEN WESTEN VAN DE EUFRAAT... EN IN DAT HELE GEBIED HEERSTE VREDE."

HIJ IS OOK KONING VAN DE VREDE. Hebr. 7 v.2.
Salomo is óók een type van Jezus Christus, maar nu met het accent op VREDEVORST. In Hebr. 7 v.2 en 3 wordt Jezus genoemd: KONING DES VREDES . Jes. 9 v.5 noemt Hem o.a.Vredevorst. Col. 1 v.20 zegt:" ...en door HEM (Jezus Christus) VREDE gemaakt hebbende, door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met zich te VERZOENEN..." Zie óók Col. 3 v.15. Bij het kruis van Christus scheiden echter de wegen. Knielen en in diep berouw onze zondeschuld belijden aan de Vredevorst Jezus Christus, de ZOON VAN DAVID, betekent kiezen voor de WARE VREDE = VERZOEND WORDEN MET GOD DE VADER.

ZELFVERLOSSING = ZELFVERNIETIGING.
Het offer van Jezus Christus afwijzen, dus de weg opgaan van de één of andere vorm van "ZELFVERLOSSING" betekent ten diepste ZELFVERNIETIGING oftewel het eeuwig oordeel. Toen de maat van de zonde (naar Gods criterium) van de volken, VOL was, zei God in Exod. 23 v.23-33.
"WANT MIJN ENGEL ZAL VOOR UW AANGEZICHT GAAN EN U BRENGEN NAAR DE AMORIET, DE HETHIET, DE FEREZIET, DE KANAÄNIET, DE HEVIET EN DE JEBUSIET EN IK ZAL HEN VERNIETIGEN. (v.23) MAAR GIJ ZULT ZE VOLKOMEN VERNIELEN EN HUN GEWIJDE STENEN ZULT GIJ GEHEEL VERBRIJZELEN. (v.24). DE SCHRIK VOOR MIJ ZAL IK VOOR U UITZENDEN. IK ZAL IN VERWARRING BRENGEN, ELK VOLK WAARMEDE GIJ IN AANRAKING KOMT EN IK ZAL UW VIJANDEN VOOR U DOEN VLUCHTEN. (v.27). ZIJ ZULLEN IN UW LAND NIET BLIJVEN WONEN, OPDAT ZIJ U NIET TEGEN MIJ DOEN ZONDIGEN DOORDAT GIJ HUN GODEN GAAT DIENEN WANT DIT ZOU U TOT EEN VALSTRIK ZIJN." (v.33).

Zie ook Lev. 20 v.23 waar de waarschuwende woorden staan: "WANT AL DEZE DINGEN HEBBEN ZIJ GEDAAN, ZÓ DAT IK EEN AFSCHUW VAN HEN GEKREGEN HEB."
Als zonden van deze Kanaänitische volkeren worden in Lev. 20 dan genoemd:

  1. KINDEROFFERS AAN DE MOLOCH. Zie ook 1 Kon. 11 v.7, Hand. 7 v.43.
  2. HET OVERSPELIG NALOPEN VAN GEESTEN VAN DODEN OF WAARZEGGEN DE GEESTEN.
  3. HET VERVLOEKEN VAN ZIJN VADER OF MOEDER.
  4. HET ECHTBREUK PLEGEN MET DE VROUW VAN ZIJN NAASTE (overspel dus).
  5. DIVERSE VORMEN VAN SEXUEEL OVERSPEL.
  6. HOMOSEXUELE RELATIES EN GEMEENSCHAP MET EEN DIER.
  7. OPTREDEN ALS WAARZEGGEND, SPIRITISTISCH MEDIUM.

We keren nu terug naar de vraagstelling.Was de handelwijze van David en de zijnen, beschreven in 1 Sam. 27 v.8-12, zoals bijbeluitleggers schrijven: "EEN AFSCHUWELIJKE BARBAARSHEID" etc. of... gaf David uitvoering aan Gods bevel?

UIT DE MACHT DER DUISTERNIS BEVRIJD. Col. 1 v.13-14.
Deze opdracht waar David mee bezig was werd later, toen hij reeds koning was, door hem voltooid. Het GROTE RIJK zoals God dit div. keren omschreef o.a. in Ex. 23 v.31, dáár was Salomo koning over. Het moest uitdrukking geven aan een steeds groter en machtiger en heerlijker rijk, nl. HET KONINKRIJK VAN GOD op deze aarde, waarin uiteindelijk Jezus Christus en Zijn lichaam, de GEMEENTE, zou heersen over de gehele aarde. Toch zei Jezus in Joh. 18 v.36: "MIJN KONINKRIJK IS NIET VAN DEZE WERELD." Het koninkrijk van David en meer nog van Salomo, zijn een onvolkomen afspiegeling van het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk Gods is een geestelijk Koninkrijk waar geestelijke wetten gelden. Col. 1 v.13-14 zegt: "WANT GOD HEEFT ONS BEVRIJD UIT DE MACHT VAN DE DUISTERNIS EN ONS (nu reeds hier op aarde) een plaats gegeven in het Koninkrijk van zijn Zoon. Zie Col. 1 v.13-18. Salomo moest Jezus Christus weerspiegelen als de grote VREDEVORST. Zie nogmaals 1 Kon. 4 v.21-25.

DE RECHTVAARDIGE RECHTER.
David weerspiegelde de grote KONING, maar nu als HEERSER en als RECHTVAARDIGE RECHTER, zoals dat zowel voor als tijdens zijn 40 jarige regeringsperiode gepaard ging met oorlog voeren en het
verdrijven of onderwerpen der heidense volken. Zie nogmaals Lev. 20.
Zo zien we de in het Oude testament genoemde "OORLOGEN DES HEREN" weer terug bij Jezus Christus. In Openbaring 2 v.12 en 16 staat:
"DIT ZEGT HIJ, DIE HET TWEESNIJDEND SCHERPE ZWAARD HEEFT... EN BEKEER U DAN, MAAR ZO NIET, DAN KOM IK SPOEDIG TOT U EN IK ZAL STRIJD TEGEN HEN VOEREN MET HET ZWAARD MIJNS MONDS."

Heel duidelijk zijn ook Salomo's woorden over zijn vader David in 1 Kon. 5 v.3-5. Eerst moesten de oorlogen met goed gevolg achter de rug zijn, dan pas kon er aan TEMPELBOUW gedacht worden. Salomo zei: "GIJ WEET, DAT MIJN VADER DAVID NIET IN STAAT WAS VOOR DE NAAM VAN DE HERE, ZIJN GOD, EEN HUIS TE BOUWEN WEGENS DE OORLOG, DIEN ZIJ VAN ALLE KANTEN TEGEN HEM VOERDEN, TOTDAT DE HERE HEN ONDER ZIJN VOETZOLEN GELEGD HAD." Zie ook v.4-5.

Dit geldt eveneens voor onze Heer, Jezus Christus, waarvan Paulus in 1 Cor. 15 v.15 zegt: "WANT HIJ MOET ALS KONING HEERSEN TOTDAT HIJ AL ZIJN VIJANDEN ONDER ZIJN VOETEN GELEGD HEEFT."

EN ZIJN VOETEN WAREN GELIJK KOPERBRONS.
In Openb. 1 v.15 en 2 v.18 wordt van Jezus Christus gezegd: "...EN ZIJN VOETEN WAREN GELIJK KOPERBRONS, ALS IN EEN OVEN GLOEIEND GEMAAKT..." Dat wil zeggen dat Jezus Christus een HEERSER is die in staat is (en Hij zal het zo nodig ook doen).... Zijn vijanden te verpletteren. De sterke engel uit Openb. 10 v.1 die JEZUS CHRISTUS "vertegenwoordigt", manifesteert autoriteit en overwinning als er staat: "....EN ZIJN VOETEN WAREN ALS ZUILEN VAN VUUR." Zie ook Openb. 1 v.l. SAMENVATTING:
Pas de vrede die ontstond NA het oorlog voeren en de overwinningen die David behaalde, stelde Salomo in staat om de tempel te bouwen. 1 Kon. 5 v.3-5. Pas de hemelse vrede die er neerdaalt in het hart van de mens die zijn vuile zonden heeft beleden en ingeleverd bij Jezus Christus en zo nodig bevrijd is van de (inwonende) macht(en) der duisternis, diens lichaam ziel en geest zijn nu geworden tot een tempel voor God, dus gereed om in zijn hart te ZETELEN. Jac. v.4-10 zegt: "ZUIVERT UW HARTEN, GIJ DIE INNERLIJK VERDEELD ZIJT" (v.8) Als dat gebeurd is geeft Petrus aan wat er DAARNA dient te gebeuren. 1 Petr. 3 v.13-16: "...MAAR HEILIGT DE CHRISTUS IN UW HARTEN ALS HERE."

ZIJN WE HEBREEËRS OF NIET.
De bevolking van Mesopotamië,dus aan de oostzijde van de rivier de Eufraat, noemden hen die aan de andere zijde (de westzijde) van deze rivier woonden: HEBREEËN = DIE VAN DE OVERKANT ZIJN. Abraham werd als eerste door God weggeroepen uit UR, de Assyrische stad. Hij werd Hebreeër genoemd. Gen. 14 v.13), evenals Jozef in Gen. 40 v.15 en Jona en Paulus. 2 Kor. 11 v.22. Ooit trokken de Israëlieten uit Egypte door de Rode zee, de Schelfzee en het was NIMMER de bedoeling daar ooit weer terug te keren, omdat ze door deze daad uitdrukten dat ze de zondige wereld, het oude leven, achter zich gelaten hadden. Zie Exod. 12 v.1-17; Ex. 13 v.17; Num. 14 v.4. Eenmaal geworteld in het "BELOOFDE LAND" zien we dat God grote aantallen, ja hele stammen, als straf weer buiten de grenzen zet, letterlijk (weer) OVER DE RIVIER, terug naar het gebied vanwaar Hij nu juist hun stamvader weggeroepen had. 1 Kon. 14 v.15 zegt: "DAN ZAL DE HERE ISRAËL SLAAN, ...EN HIJ ZAL ISRAËL WEGRUKKEN VAN DEZE GOEDE GROND, DIEN HIJ HUN VADEREN GEGEVEN HEEFT EN HIJ ZAL HEN AAN DE OVERZIJDE VAN DE RIVIER verstrooien, omdat zij hun gewijde palen gemaakt en daardoor de Here gekrenkt hebben." Dus, terug naar AF....

GA UIT BABYLON WEG MIJN VOLK...
In Openb. 18 v.4-5 wordt Gods volk opgeroepen: "TOEN HOORDE IK EEN STEM UIT DE HEMEL ZEGGEN: GA UIT DIE STAD WEG MIJN VOLK. ANDERS WORDT U MEDEPLICHTIG AAN HAAR ZONDEN EN ZULLEN U DEZELFDE RAMPEN TREFFEN ALS HAAR... HAAR ZONDEN HEBBEN ZICH HEMELHOOG OPGESTAPELD."

Het verbanningsoord voor de overspelige Israëliet was OVER DE RIVIER, hij kwam dan als banneling terecht in Babel of Ninevé etc. Deze historische gebeurtenissen beelden een geestelijke werkelijkheid uit. De profeet Jeremia spreekt er heel uitvoerig over in hst. 30 en 31. Terwijl alles hopeloos lijkt en uitzichtloos vertelt Jeremia blijde dingen die in de toekomst gaan gebeuren. De belofte van de VERLOSSER, JEZUS CHRISTUS wordt op een profetische wijze aangekondigd en bejubeld. Jeremia 31 v.33 spreekt al heel duidelijk over HET NIEUWE VERBOND DAT God sluiten zal. Ook dat de zonde voor altijd vergeven zal worden wordt reeds beloofd. v.34. Daniël profeteert eveneens dat er een ONOVERWINNELIJK KONINKRIJK zal komen in hst. 2 v.44: Over het rijk van koning Nebukadnezar en de koningen die daarna zouden komen werd gezegd: "MAAR IN DE DAGEN VAN DIE KONINGEN ZAL DE GOD DES HEMELS EEN KONINKRIJK OPRICHTEN, DAT IN EEUWIGHEID NIET ZAL TE GRONDE GAAN..... HET ZAL AL DIE KONINKRIJKEN VERBRIJZELEN EN DAARAAN EEN EINDE MAKEN."
Wie niet wil binnengaan in het Koninkrijk van God zal (óók) ontvangen van haar plagen, zoals deze zowel in het Oude als het Nieuwe testament staan beschreven.
Zie resp. Jes. 51 v.29-37 en 54-64 en Openb. 16 v.12-21 en Openb. 9 v.14.

CONCLUSIE:
De valse kerk, genoemd Babylon of moeder der hoeren (17 v.5) zal meer en meer vergiftigd worden door het werk der demonen.
Het occultisme in al haar vormen zal daar hoogtij vieren. De ware kerk, de gemeente van Jezus Christus, uit het (geestelijk) Babylon weggetrokken, op Gods bevel (18 v.4-5) zal in een geestelijke oorlog de overwinning behalen, beschreven in Openb.16. David maakte, als uitbeelding van het bovenvermelde in de natuurlijke, zichtbare wereld, reeds een begin met de realisatie van deze heerlijke triomf over de valse kerk, die geregeerd wordt door boze geesten.
De vraag of David een soort BARBAAR was, kan worden beantwoord met: NEE, David handelde overeenkomstig Gods opdracht dus volkomen LEGAAL.

ENKELE VRAGEN BIJ LES 22:

Vraag 1: Wat moest dat GROOTGRONDBEZIT van Salomo tot uitdrukking brengen?
Vraag 2: Wat bracht koning Salomo (dit in tegenstelling met koning David) tot uitdrukking? Op wie moest hij gelijken? Zie Jes. 9 v.5.
Vraag 3: Indien we Exod. 23 v.23-33 gelezen hebben, moet de vraag gesteld worden: Hebben de Israëlieten deze opdracht voor 100% uitgevoerd?
Vraag 4: Wat zijn (of waren) de kwalijke gevolgen van het NIET of niet geheel uitvoeren van deze opdrachten? Geef enkele voorbeelden.
Vraag 5: In Lev. 20 v.1-17 en 23 wordt de lijst opgesomd van de zonden die ALLEREERST de heidense volken bedreven en door de Israëlieten kennelijk werden overgenomen. Kun je zeggen dat men zich WEL neergebogen heeft voor hun goden? Ex. 23 v.24.
Vraag 6: Kun je begrijpen dat God zo radicaal spreekt in Ex. 23 v.33? Denk in dit verband ook eens aan Gen. 6 v.5-8 en geef je mening eens.
Vraag 7: Zou David toch gelijk gehad hebben met het uitvoeren van Gods bevel of zou de andere genoemde bijbeluitleg het antwoord zijn? Motiveer je antwoord.
Vraag 8: Indien je de hierna genoemde teksten gelezen hebt, kun je dan zeggen dat het grote machtsgebied ten tijde van koning Salomo een (nog maar zwakke) uitbeelding was van het Koninkrijk van God, zoals het zich na GOLGOTHA BAANBREEKT HIER OP AARDE? Luc. 12 v.32; Luc. 17 v.20-21; Luc. 22 v.29; Rom. 14 v.17; Matth. 11 v.11-13; Matth. 13 v.38; Matth. 25 v.34.
Vraag 9: Zie je verband tussen de oorlogen des Heren, zoals David die voerde en DE ZOON VAN DAVID =Jezus Christus, die strijd voert met het zwaard Zijns monds? Openb. 2 v.12 en 16.
Vraag 10: Jezus Christus werd profetisch steeds uitgeroepen tot VORST VAN DE VREDE, MEER DAN ALS "MAN OF WAR". Past de bouw van de tempel tijdens Salomo's regering ook in dit beeld? Zie 1 Kon. 5 v.3-5.
Vraag 11: Geef jouw verklaring eens over Openb. 1 v.15 en 2 v.18. "...EN ZIJN VOETEN WAREN GELIJK KOPERBRONS ALS IN EEN OVEN GLOEIEND GEMAAKT."
Vraag 12: Wat is in de nieuwe bedeling: "de tempel" en wat is haar functie?
Vraag 13: Probeer eens te omschrijven wat het in geestelijke zin betekent om door de vijand als gevangene in ballingschap mee te worden genomen, "over de rivier"? 1 Kon. 14 v.15 en Gal. 4 v.8-9; Jer. 25 v.1-6.
Vraag 14: Kun je uit Dan. 2 v.44 concluderen dat de ware vrede, behorende bij het Koninkrijk Gods pas geheel "UIT DE VERF" komt als alle andere rijken verbrijzeld zijn?
Vraag 15: Verklaar waarom de valse kerk, BABYLON, moeder der hoeren wordt genoemd.

les 23

MAAR DAVID STERKTE ZICH IN DE HERE, ZIJN GOD.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 1 Sam. 29 en 30 v.1-10.
In Sam. 29 lezen we weer één van Gods wonderbaarlijke uitreddingen. Door de oorlogsplannen der Filistijnen scheelde het maar zeer weinig of David zou met zijn mannen tegen koning Saul en Jonathan, David's boezemvriend hebben moeten strijden. David blijkt bij de z.g. stadsvorsten zowel beroemd als berucht te zijn. David werd in de "tang" genomen, want bij thuiskomst blijkt de vijand, de Amalekieten, zijn woonplaats Ziklag te hebben verbrand en alles aan levende have te hebben ontvoerd. David maakt benauwde ogenblikken mee (v.6). In opdracht van God wordt de vijand nagejaagd. Met een "TOT LEVEN GEWEKTE" gids wordt Amalek gevonden en verslagen en met een zéér rijke buit keert men terug.

DOOR HET OOG VAN DE NAALD.
Behalve kleine schermutselingen met wachtposten en rooftochten is er hier nu sprake van een TOTALE OORLOG. 1 Sam. 28 v.1-5. Het is nu, er op of er onder, oftewel: WIE ZAL HEERSEN... 1 Sam. 29 v.1-2. EN WIE ZAL DE ONDERWORPENE ZIJN...
Dat hier sprake is van een voorbeeld van de geestelijke strijd in de(ze) eindtijd, blijkt uit het gebruik van de uitdrukking: "WAT MOET DEZE HEBREEËR???" v.3-5. Inderdaad, David en de zijnen waren: "ZIJ DIE VAN DE OVERKANT ZIJN." dus HEBREEËN. Zie nog eens les 22. De vijand kende vroeger, maar ook nu nog, de kracht van Gods volk nl. zoals Efeze 1 v.19 en 20 zegt:
"IK BID DAT U ZULT BESEFFEN HOE ONTZAGLIJK GROOT DE KRACHT IS DIE GOD TER BESCHIKKING STELT AAN ONS DIE IN HEM GELOVEN." David laat niets merken van zijn vreugde om niet tegen zijn eigen landgenoten te moeten strijden en stelt dat het VIJANDEN VAN MIJN HEER DE KONING zijn. (v.8). Zo keert David de ong. 100 km. terug, naar zijn verblijfplaats Ziklag, dat hij onbeschermd achter gelaten had.

MET DE WERPSPIES IN DE ANDERE HAND. 1 Sam. 30.
Het blijkt noodzakelijk om altijd de methode van Nehemia te volgen, want de vijand slaapt nooit. Zie Neh. 4 v.15-18. Mozes had, in opdracht van God, het volk ingeprent wat geldig blijft tot de jongste dag nl: "GEDENK WAT AMALEK U GEDAAN HEEFT OP UW TOCHT, TOEN GIJ UIT EGYPTE GETROKKEN WAART, HOE HIJ U ONDERWEG TEGENKWAM EN AL DE ZWAKKEN IN UW ACHTERHOEDE AFSNEED, TERWIJL GIJ VERMOEID EN UITGEPUT WAART EN HOE HIJ GOD NIET VREESDE…. DAN ZULT GIJ DE HERINNERING AAN AMALEK ONDER DE HEMEL UITWISSEN. VERGEET HET NIET."
Koning Saul had in dit opzicht Gods gebod gesaboteerd. Zie 1 Sam.15 v.13 en 18-20 en onverwacht werd David met slechts 600-200=400 strijders voor deze opdracht geplaatst. (v.9-10). Het is beter om eerder de Here te raadplegen, dan te wachten tot men geen tranen meer over heeft. (v.4). Deze overweldiging door verdriet zet de poorten open voor de (geestelijke) vijanden, want: "DAVID GERAAKTE ZEER IN HET NAUW, OMDAT HET VOLK (toen ze uitgehuild waren) ER VAN SPRAK HEM TE STENIGEN, WANT HET HELE VOLK WAS BITTER GESTEMD." David was echter uit een ander hout gesneden, want van hem lezen we: "MAAR DAVID STERKTE ZICH IN DE HERE." En God gaf hem een opdracht. (v.8). David zou deze ervaringen later "verwerken" in zijn diverse Psalmen. Zie bv. Ps. 6 v.8 en 10 en Ps. 31 v.10-11 en 15-19.

BIJ DE HERE ZIJN UITKOMSTEN TEGEN DE DOOD.
En dan komt er, na zo'n vier dagen trekken door wouden, over bergen en door woestijnen een punt dat we eigenlijk niet meer in eigen kracht verder kunnen, want onze lichamelijke vermogens zijn beperkt. Maar dan bereiken we de beek BESOR=koel. Wie aan deze zijde van de beek achterblijft om te rusten herstelt wel langzaam weer van zijn fysieke vermoeidheid, maar wie de(ze) beek overtrekt, en vooral wie er uit drinkt, vindt verkoeling, verkwikking en nieuwe kracht. Ook déze les zou David later in zijn Psalmen verwerken. Zie Psalm 65 v.10.

DE BEEK GODS IS VOL WATER.
In Psalm 110 v.5-7 wordt de "ZOON VAN DAVID" bezongen in zijn veldtocht tegen zijn vijanden. Deze Psalm vertelt ons: "HIJ DRINKT ONDERWEG UIT DE BEEK, DAAROM HEFT HIJ HET HOOFD OP." Hierin ligt kennelijk het geheim van zijn overwinning.
Ook wij moeten, net als Elia, drinken uit de beek. 1 Kon. 17 v.4. God zei tegen Elia: "GIJ KUNT UIT DE BEEK DRINKEN..." Juist in tijden van VERDRUKKING en VERVOLGING. Zoals Joël profeteerde, zó zal het zijn en wordt het NU en HEDEN en MORGEN meer en meer gerealiseerd. Joël 3 v.18-20. "TE DIEN DAGE ZAL HET GESCHIEDEN... DAT ALLE BEKEN VAN JUDA VAN WATER ZULLEN STROMEN, EEN BRON ZAL ONTSPRINGEN UIT HET HUIS DES HEREN.... MAAR JUDA ZAL BLIJVEN TOT IN EEUWIGHEID...." Ook de profeet Ezechiël spreekt over "de (tempel)beek" in geestelijke zin in Ez. 47 v.1-12. De beek is een beeld van de vernieuwende, stuwende kracht van God door de Heilige Geest. Ezechiël beschrijft de positieve ontwikkeling in de eindtijd:
Ez. 47 v.5: "...NU WAS HET (al) EEN BEEK GEWORDEN, DIE IK NIET DOORWADEN KON, WANT HET WATER WAS ZO HOOG DAT MEN ER IN ZWEMMEN KON..."
Ez. 47 v.9: "OVERAL WAAR DE BEEK KOMT, ZAL ALLES LEVEN..." v.12: "LANGS DE BEEK ZULLEN OP HAAR OEVERS AAN WEERSZIJDEN ALLERLEI VRUCHTBOMEN OPSCHIETEN..."

VERDRUKKING EN VERVOLGING.
Zowel de profeet Ezechiël als Joël spreken beiden over resp. DE TEMPEL en over HET HUIS DES HEREN, daarmee doelend op de GEMEENTE VAN JEZUS CHRISTUS, zoals Paulus zeer duidelijk stelt in 1 Tim. 3 v.15: "DAN WEET GIJ, HOE MEN ZICH BEHOORT TE GEDRAGEN IN HET HUIS GODS, DAT IS DE GEMEENTE VAN DE LEVENDE GOD, EEN PIJLER EN FUNDAMENT DER WAARHEID." Zie Hebr. 10 v.21; Titus 1 v.7. In deze (eind)tijd zal Gods volk met volle teugen dienen te drinken uit DE BEEK GODS. Wat kunnen we van David leren: lees Psalm 65 v.10: "GIJ BEZOEKT HET LAND EN VERLEENT HET OVERVLOED, GIJ MAAKT HET ZEER RIJK. DE BEEK GODS IS VOL WATER, GIJ BEREIDT HUN KOREN. JA ZO BEREIDT GIJ ALLES. GIJ DRENKT ZIJN VOREN, GIJ DOORVOCHTIGT ZIJN KLUITEN, DOOR REGENSTROMEN MAAKT GIJ HET WEEK, GIJ ZEGENT ZIJN GEWAS". v.11 en 12. Maar laten we vooral zien wat DE ZOON VAN DAVID te zeggen heeft. De "ZOON VAN DAVID", Jezus Christus laat ons in Joh. 4 v.14 weten: "MAAR WIE VAN HET WATER DRINKT DAT IK HEM GEEF, ZAL NOOIT MEER DORST KRIJGEN. DÁT WATER ZAL IN HEM ALS EEN FONTEIN WORDEN, WAARUIT EEUWIG LEVEN VOORTKOMT."
Dat het LEVENDE WATER een beeld is van de Heilige Geest moge duidelijk zijn. Het met volle teugen drinken van dit LEVENDE WATER zal op hun beurt Gods kinderen maken tot SPRINGENDE FONTEINEN, zij vormen als het ware "DE BEDDING VAN DE BEEK". In Efeze 3 v.14-19 wordt voortreffelijk beschreven hoe we als Gods kinderen, dus TEZAMEN MET ALLE HEILIGEN, niet alleen de "BEEKBEDDING" mogen vormen, maar we mogen door Gods genade ook allen "TEMPELTJES" zijn van waaruit dit Levende water opborrelt en... realiseert wat de twee genoemde profeten Joël en Ezechiël al voorzegd hadden. Met "DE TEMPEL" van de mens wordt bedoeld zijn (gereinigde) inwendige mens = zijn hart = ziel en geest.
In deze eindtijd zullen Gods kinderen met volle teugen dienen te drinken uit "DE BEEK GODS", anders kunnen we het bovenstaande wel vergeten... Het zijn dezen, ook wel genoemd de heiligen oftewel de zonen Gods, die weergegeven worden als VRUCHTBOMEN, die aan weerszijden van de beek Gods groeien. De psalmdichter heeft het begrepen wanneer deze in Psalm 119 v. 143 zegt: " TREFFEN MIJ NOOD EN VERDRUKKING, DAN ZIJN UW GEBODEN (=Gods woord) MIJN VERLUSTIGING." Zie ook Rom. 12 v.12; Hand. 14 v.22.

PSALM 17, EEN GEBED VAN DAVID.
"Luister toch, Here, want ik vraag Uw oordeel over een eerlijke zaak. Schenk mij Uw aandacht en luister naar mijn smeekgebed. Ik kom bij U met een volkomen eerlijk hart en spreek oprecht tot U. Spreek uw oordeel uit over mij, want U weet wat goed en rechtvaardig is. Beoordeel mijn geweten, U kunt dat zelfs 's nachts doen. Test mij maar. U zult niets verkeerds bij mij vinden, waar ik ook over spreek. Zoals U mij hebt geleerd, ben ik ook nooit op pad gegaan met zondaars. Daarvoor heb ik gewaakt. Integendeel, ik heb alleen Uw weg betreden en daarop liep ik met vaste tred." vers 1 t/m 5.

"Mijn vijand lijkt op een leeuw, klaar om zijn prooi te bespringen. Of op een leeuwenwelp, diep weggedoken in een schuilplaats. Gaat U hem tegemoet, Here, en sla hem neer. Red mijn leven door UW ZWAARD. Sla hem met UW EIGEN HAND, Here." v.12-14.
(Zwaard = Gods woord. Hand = beeld van de Heilige Geest.)

ENKELE VRAGEN BIJ LES 23:

Vraag 1: Indien je les 22 goed gelezen én begrepen hebt en je bedenkt de woorden (bevel) uit Deut. 25 v.17-19, kun je dan beamen dat er ook nu een totale (geestelijke) oorlog aan de gang is? Zie Num. 24 v.20 voor de afloop.
Vraag 2: Waarom houdt het begrip: "HEBREEËN" veel meer in dan je op het eerste gezicht (of gehoor)zou vermoeden? Zie nog eens les 22.
Vraag 3: Als je Efeze 1 v.19-20 leest, ben je dan van mening dat Gods kinderen vandaag de dag "onder de(ze)maat" leven? Licht je antwoord eens toe.
Vraag 4: Geldt dit óók t.a.v. Nehemia 4 v.15-18? Anders gezegd, zijn de kinderen Gods vandaag de dag wat INGESLAPEN?
Vraag 5: Als je bedenkt dat Abraham slechts met 318 man een oorlog won (Gen. 14), Gideon eveneens met 300 en David met 400 man, mogen we dan verwachten dat we in de(ze) eindtijd met een betrekkelijk gering aantal óók de eindstrijd overwinning zullen behalen?
Vraag 6: Is het duidelijk dat de opdracht uit 1 Sam. 29 v.8, heden actueler is dan ooit, maar dat de absolute noodzaak er is om "EERST UIT DE BEEK TE DRINKEN"? Wat betekent dat?
Vraag 7: Vertalen we bv. Psalm 83 van de strijd met natuurlijke wapens naar de geestelijke (eind)strijd, uiteraard met geestelijke wapens, dan zien we de gezamenlijke legers van de vijand optrekken tegen de gemeente van Jezus Christus. Verklaar in dit verband waarop de overwinning zal berusten. Zie Ps. 83 v.10. Wat deden de 300 mannen van Gideon?
Vraag 8: Wie of wat zijn die vruchtbomen aan beide zijden van de beek? Ezech. 47 v.12.
Vraag 9: Wat beeldt dat water uit dat in de mens kan worden tot een springende fontein?
Vraag 10: Wat mag in tijden van verdrukking onze verlustiging zijn? Zie ook 1 Sam. 30 v.6.

les 24

TOEN KEERDE ZIJN GEEST IN HEM TERUG.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. 1 Sam. 30 v.11-25.
Om de vijand in een heel groot gebied op te sporen staat gelijk aan het zoeken naar een speld in een hooiberg. Door Gods besturing vinden zij "DEZE SPELD". Een zieke, achtergebleven Egyptische slaaf, treffen ze stervende aan. Door het toedienen van eten en drinken keerde zijn (levens)geest in hem terug. v.12. Deze treedt als GIDS op om David naar de Amalekieten te brengen. David brengt hen een vernietigende slag toe en weet zo alle ontvoerden weer te bevrijden, alsmede een zeer grote buit, die David daarna als geschenken uitdeelt aan de div. oudsten van Juda in welks omgeving hij rondgezworven had.

ZIJ GAVEN HEM BROOD.... EN HIJ AT.
Alleen door de leiding van God is het mogelijk om in zo'n eenzaam woestijnachtig gebied precies te stuiten op zo'n stervende slaaf. God had immers laten weten d.m.v. de Urim en de Tummim, die in de efod: "HET BORSTSCHILD DER BESLISSING" zaten: "GIJ ZULT STELLIG INHALEN EN BEVRIJDEN." v.8. In deze, ogenschijnlijk gewone gebeurtenis, schuilt een grote geestelijke diepgang, want wie door ziekte stervende is (v.13) en wordt achtergelaten in een heet, woestijnachtig land, zonder eten en drinken en nog wel DRIE DAGEN EN DRIE NACHTEN, die is absoluut afgeschreven, want er staat: "EN ZIJN GEEST KEERDE IN HEM TERUG." v.12.

EN ZIJ BRACHTEN HEM BIJ DAVID.
De mannen die deze stervende slaaf aantroffen, brachten hem bij David. Hierin schuilt de volgende gelijkenis, waarin DE ZOON VAN DAVID = Jezus Christus zegt in Efeze 2 v.1-5 via Paulus' pen: "OOK u bent door Hem tot leven geroepen, u, die eigenlijk al dood was, omdat u niet leefde zoals God wilde... u deed dezelfde slechte dingen als zij. U gehoorzaamde satan, de leider en vorst van de geestelijke machten in de lucht.... maar Gods liefde voor ons is zo groot dat Hij ons volledig gratie heeft verleend, zelfs al waren wij door onze misdaden DOOD voor Hem."
Zo werd deze stervende slaaf aan de voeten van David gelegd. Net zoals hier boven in Efeze over ons wordt beschreven, werden wij aan de voeten van DE ZOON VAN DAVID = de Here Jezus Christus neergelegd.

EN WAT DEED DE ZOON VAN DAVID.
En wat deed David...

WIE DIT BROOD EET, ZAL ALTIJD BLIJVEN LEVEN.
Zo keerde de geest in deze stervende slaaf terug, doordat hij opat wat hem door David werd aangeboden. David en zijn mannen drukten het hieronder staande uit:

DE WARE WIJNSTOK
ROZIJNEN: (zoete druiven) Psalm 80 v.9: "U HEBT IN EGYPTE ONS VOLK ALS EEN WIJNSTOK UITGEGRAVEN, DAARNA HEBT U HIER DE VOLKEREN VERDREVEN EN ONS IN DIT LAND GEPLANT."
Dat volk heeft de WARE WIJNSTOK (Jezus Christus) voortgebracht. Joh. 15 v.1: "IK (Jezus Christus) BEN DE WARE WIJNSTOK." Joh. 15 v.4-5: "...NET ZOALS EEN RANK ALLEEN MAAR KAN VRUCHTDRAGEN ALS ZIJ IN DE WIJNSTOK BLIJFT, KUNT U ALLEEN MAAR VRUCHTBAAR LEVEN ALS U IN MIJ BLIJFT. ALS U DICHT BIJ MIJ BLIJFT EN IK BLIJF IN U, BRENGT U VEEL VRUCHT VOORT...."

NET ALS JONA...
De uitdrukking: "WANT HIJ HAD GEDURENDE DRIE DAGEN EN DRIE NACHTEN NIETS GEGETEN OF GEDRONKEN" (v.12) wil zo veel zeggen dat deze slaaf eigenlijk "DOOD" was. Jezus leerde ons dat over Jona in Matth. 12 v.40: "JONA ZAT IMMERS DRIE DAGEN EN DRIE NACHTEN IN DE BUIK VAN HET ZEEMONSTER. ZO ZAL IK (Jezus Christus) DRIE DAGEN EN DRIE NACHTEN IN HET HART VAN DE AARDE ZIJN".
Jezus leerde ons met dit voorbeeld dat deze termijn een beeld was van Zijn vertoeven in het DODENRIJK. De vermelding van deze termijn t.a.v. de Egyptische slaaf, wil zeggen: "DEZE MAN WAS (eigenlijk) DOOD, MAAR IS DANK ZIJ DE BARMHARTIGHEID DIE DAVID HEM BETOONDE, WEER TOT HET LEVEN TERUGGEKEERD." Vanaf DAT moment was hij GÉÉN SLAAF MEER, maar een VRIJE. (v.15). Hij zou ook nooit meer worden uitgeleverd aan de AMALEKITISCHE EIGENAAR. Paulus zou het later als volgt formuleren: "...EN WIJ NIET LANGER SLAVEN DER ZONDE ZOUDEN ZIJN, WANT WIE GESTORVEN IS, IS RECHTENS VRIJ VAN DE ZONDE. INDIEN WIJ DAN MET CHRISTUS GESTORVEN ZIJN, GELOVEN WIJ, DAT WIJ OOK MET HEM ZULLEN LEVEN...." Rom. 6 v.6-8. Zonder twijfel is deze "VRIJE EGYPTISCHE SLAAF" bij David gebleven.

DE TOORN VAN HET LAM.
We zien nu de door God bevolen afrekening met de Amalekieten, door David. Zie Deut. 25 v.17-19. In 1 Sam. 30 v.16-20 lezen we dit verslag. Het geheel is weer een (voor)beeld van de geestelijke strijd die Jezus Christus (het Hoofd), te voeren heeft, samen met de Gemeente (het lichaam), tegen zijn vijanden. Zie Luc. 1 v.71 en 74; Luc. 10 v.17-20; Hebr. 10 v.13; Openb. 11 v.4-6; Matth. 22 v.41-46; 1 Cor. 15 v.25-26.
Let tenslotte op de wijze waarop David, als beelddrager van Jezus Christus, zijn 200 manschappen benadert, die te uitgeput waren om de achtervolging mee te maken. Hij vroeg hen naar hun welstand. (v.21-25). Het negatieve voorstel, beschreven in vers 22, wijst hij liefdevol van de hand en hij zegt: "DIE GROTE BUIT HEEFT GOD ONS GESCHONKEN. DE HEER HEEFT ONS BEWAARD. DE HEER HEEFT DEZE BENDE DIE ONS OVERVIEL IN ONZE MACHT GEGEVEN, DUS DE ZEGENINGEN ZIJN VOOR ONS ALLEMAAL... ZONDER UITZONDERING."

Toen David later koning was geworden, dichtte hij o.a. Psalm 20. In zijn liederen zijn de herinneringen verwerkt van de afgelopen jaren en zonder twijfel ook deze oorlog met de Amalekieten. Ps. 20 v.6-10: "WIJ WILLEN JUICHEN OVER DE OVERWINNINGEN, DIE U GEEFT EN IN DE NAAM VAN ONZE GOD DE VLAGGEN OMHOOGSTEKEN. IK BID DAT DE HERE AL UW VERLANGENS ZAL VERVULLEN. IK WEET NU ZEKER DAT DE HERE DE KONING, DIE HIJ HEEFT GEZALFD, ZAL LATEN OVERWINNEN. VANUIT DE HEMEL GEEFT HIJ HEM ALTIJD ANTWOORD. DAT BLIJKT UIT DE MACHTIGE DADEN DIE HIJ DOET. SOMMIGE MENSEN VERWACHTEN ALLES VAN HUN STRIJDWAGENS, ANDEREN SNOEVEN OVER HUN PAARDEN, MAAR WIJ STELLEN ONZE VERWACHTING OP DE NAAM VAN DE HERE, DIE ONZE GOD IS. DIE ANDEREN KOMEN ALLEMAAL TEN VAL. MAAR WIJ BLIJVEN OVEREIND EN KUNNEN STANDHOUDEN. OCH HERE, GEEF ONZE KONING DE OVERWINNING. IK BID DAT DE HERE ZAL ANTWOORDEN WANNEER WIJ TOT HEM ROEPEN."

ENKELE VRAGEN BIJ LES 24:

Vraag 1: Als je gelezen hebt, hoe men stuitte op de stervende slaaf, durf je dan te spreken van Gods leiding?
Vraag 2: Vertel alles wat je weet van de Urim en de Tummim. Lees ook eens Exod. 28 v.15-30.
Vraag 3: Geldt het bevel van God om de vijand (in de hemelse gewesten) te achtervolgen, in te halen en te overwinnen ook nu nog? Licht je antwoord eens toe.
Vraag 4: Vind je dat Efeze 2 v.1-5 een betrouwbare weerspiegeling is van de toestand van deze stervende slaaf? Zijn of waren wij eigenlijk deze "Egyptenaar"?
Vraag 5: Zie je overeenkomst tussen de handelwijze van David en de bekende gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, waarin deze laatste Jezus Christus uitbeeldde? Zie Luc. 10 v.30-37.
Vraag 6: Hoe is het WARE LEVEN in JOU gekomen? En als dat nog niet gebeurd is, wat moet je dan "ETEN en DRINKEN"?
Vraag 7: Hoe kunnen we als "VERLOREN ZONDAARS" weer in een reine, zuivere, eeuwige relatie met God de Vader komen?
Vraag 8: Probeer eens in eigen woorden tot uitdrukking te brengen wat Jezus Christus nu eigenlijk bedoelde, toen Hij sprak over de rank die noodzakelijkerwijs in de wijnstok moet blijven.
Vraag 9: Hoe kan een mens, met Jona als voorbeeld, uit de buik van het zeemonster (dodenrijk) komen? Zie Rom. 6.
Vraag 10: Geef je mening eens over de beslissing, en de motivatie daarvan, die David nam in 1 Sam. 30 v.21-25.

les 25

DE GERAFFINEERDE LEUGEN VAN DE AMALEKIET.

KORTE BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. (2 Sam. 1 v.1-27.)
In dit laatste hoofdstuk van deel I bespreken we een belangrijk aspect van de rol die DE AMALEKIET speelt in de geschiedenis van het Joodse volk, waarbij het niet gaat om een persoon, een volk of iets dergelijks maar.. om een verkeerde hartsgesteldheid. Beladen met list en bedrog probeert een Amalekiet om David te misleiden en te verleiden. David onderkent echter het één en ander en betaalt hem zijn "loon" uit. Zie Rom. 6 v.23. David's klaaglied tenslotte, over de gesneuvelde koning en Jonathan, blijkt zijn heerlijke vervulling te vinden in o.a. Openb. 5 dat spreekt over DE LEEUW UIT DE STAM JUDA, DE WORTEL DAVIDS, die wél overwonnen heeft. En wat betreft die verloren gegane wapenrusting (boog etc.) en de geroofde kroon is het toch helemaal goed gekomen. Vergelijk 2 Sam.1 v.18,22,27 eens met Openbaring 6 v.2: "KOM, EN IK ZAG, EN ZIE, EEN WIT PAARD, EN DIE ER OP ZAT, HAD EEN BOOG EN HEM WERD EEN KROON GEGEVEN, EN HIJ TROK UIT, OVERWINNENDE EN OM TE OVERWINNEN."

UIT WELK "NEST" KWAM AMALEK EIGENLIJK....
Amalek was de zoon van Timna, de bijvrouw van Esau's zoon Elifaz (Gen. 36 v.12). ELIFAZ = "Mijn god IS ZUIVER GOUD." Hij is een toonbeeld van de puur vleselijke, materialistische mens. Van dit "ESAU (na)GESLACHT" zegt de profeet Maleachi 1 v.4: "HET IS GEBIED DER GODDELOOSHEID EN HET VOLK WAAROP DE HERE VOOR EEUWIG TOORNT." Dat deel der mensheid wat God verwerpt, Zijn weldaden minacht en beslist NIET de weg wil gaan die God wijst, dat is een "ESAU", waarvan ook geschreven staat: "TOCH HEB IK JACOB LIEFGEHAD, MAAR ESAU HEB IK GEHAAT." (v.3.) Esau's kleinzoon AMALEK is de mens die boven alles begeert om als een hoofdman van een roversbende te leven. Déze AMALEK kwam het volk Israël reeds tegen op hun tocht door de woestijn. (Exod. 17 v.8-16.) Mozes moest, van Godswege, het volk inprenten:

DE HERE HEEFT EEN STRIJD TEGEN AMALEK VAN GESLACHT TOT GESLACHT.
Zie Deut. 25 v.17-19. Zelfs de (valse) profeet Bileam moest tegen zijn wil in profeteren: "AMALEK WAS DE EERSTE ONDER DE VOLKEN MAAR UITEINDELIJK STAAT HEM DE VERNIETIGING TE WACHTEN" (Numeri 24 v.20.)

David was net twee dagen terug van een oorlog tegen de brandschattende Amalekieten, toen een lijkenberovende Amalekiet probeerde om David op een geheel andere wijze te verslaan.

NIET TOEVALLIG.
David onderkent dat deze schuimer NIET TOEVALLIG op het gebergte Gilboa was, maar.... met een voorop gezette bedoeling nl. om de gesneuvelden te beroven. Zoals de aasgieren al boven de leeuwen vliegen die hun gedode prooi verorberen en de hyena's en jakhalzen hun beurt afwachten, zó deed deze AMALEKIET, die afwachtte tot de FILISTIJN op het slachtveld voorbij getrokken was. Asaf zag het en dichtte het in een lied (Ps. 83) dat "ze" eensgezind beraadslaagd hebben, een VERBOND gesloten, om Gods volk, de beschermelingen des Heren, als volk te verdelgen. (v.4-5.) EDOM, DE ISMAËLIETEN, MOAB, AMMON, AMALEK, DE FILISTIJN EN ASSUR. Dit bovenstaande gold niet slechts vroeger het volk Israël ten tijde van David, maar dit VERBOND (complot) geldt als een GEESTELIJKE OORLOG, juist nu voor het ISRAËL GODS = Gods volk van het NIEUWE VERBOND, dus U en ik, en wel meer dan ooit.

EVEN EEN KORTE TERUGBLIK.
In les 3 en 5 t/m 9 lezen we vooral over de Filistijnen. In les 13 lezen we van Edom (Esau's nakomelingen) In les 21 en 22 lezen we over Assur etc. We weten dat David de listen en leugens doorzag en als (bijna) koning en als profeet sprak en handelde. (Judas v.16.)

ER ZITTEN DRIE ASPECTEN AAN DEZE "AMALEKIET".
A. Hij was als zoon van een vreemdeling, die als "vijfde colonne" temidden van Israël woonde, maar behoorde tot het volk: "WAAROP DE HERE VOOR EEUWIG TOORNT." (Maleachi 1 v.4.)
B. Hij was bereid om "DE GEZALFDE DES HEREN" om te brengen.
C. Hij schroomde niet om alles in het werk te stellen, hen te beroven van hun diadeem (kroon) en andere kostbaarheden.

DE UITWERKING VAN DEZE DRIE ASPECTEN.
ad. A. Er is niets nieuws onder de zon sprak reeds de Prediker. Ook in de 20/21e eeuw zijn er vele "AMALEKIETEN" die wonen en werken temidden van ons en het boven alles voorzien hebben op Gods kinderen die OMHOOG willen. Ze kunnen zelfs naast U zitten in de kerkbank of evt. tegenover U aan het avondmaal. (Judas v.12-13. 2 Petr. 2 v.13-14.)

ad. B. Erger nog, al gebeurt het niet met de daad, het hart van deze dromenzieners (Judas v.8) is bereid om "DE GEZALFDE DES HEREN" om te brengen. Petrus besteed er een heel hoofdstuk aan in 2 Petr. 2. Ook Judas beschrijft dit "AMALEKISME" in zijn briefje dat als een "vijfde colonne" is binnen geslopen als hij schrijft in Judas v.4: "WANT ER ZIJN ZEKERE MENSEN BINNEN GESLOPEN... GODDELOZEN DIE DE GENADE VAN ONZE GOD IN LOSBANDIGHEID VERANDEREN EN ONZE ENIGE HEERSER EN HERE, JEZUS CHRISTUS, VERLOOCHENEN." Het Amalekisme is een eindtijd verschijnsel, want: "AAN HET EINDE DES TIJDS ZULLEN ER SPOTTERS KOMEN... DIE SCHEURINGEN MAKEN, NATUURLIJKE MENSEN DIE DE GEEST NIET HEBBEN (Judas v. 18-19.) of zoals 2 Petr. 2 v.1 zegt: "VALSE LERAARS, DIE VERDERFELIJKE KETTERIJEN ZULLEN DOEN BINNENSLUIPEN EN VELEN ZULLEN MEESLEPEN (v.2) ALS GEWASSEN ZEUGEN DIE WEER TERUGKEREN NAAR DE MODDERPOEL." (v.22.)

ad. C. AMALEKIETEN noemde ik DE MENS die boven alles begeert om als een roverhoofdman een bende te leiden. Zonde werkt altijd als een alles doortrekkend zuurdesem, zoals de hierboven aangehaalde teksten aantonen. Het 3e aspect van de hedendaagse Amalekiet is zijn niet aflatende pogen om iemands diadeem (kroon) te roven. Deze roof heeft een (hele) diepe geestelijke betekenis, want de diadeem is een beeld van GEZAG. Zowel een KONING als een KONINKLIJK HOGEPRIESTER werden na zalving gekroond met een diadeem of kroon om uit te drukken wat Petrus veel later zou "VERTALEN" nl: "GIJ ECHTER ZIJT EEN UITVERKOREN GESLACHT, EEN KONINKLIJK PRIESTERSCHAP" en "GIJ ECHTER HEBT EEN ZALVING VAN DE HEILIGE EN GIJ WEET DAT ALLEN." 1 Joh. 2 v.20, 1 Petr. 2 v.9. Voor een kroning tot koning, zie 2 Kon. 11 v.12 en Esther 2 v.17 en Openb. 19 v.7 en 12. Voor de kroning tot Hogepriester zie Exodus 28 v.36-38 en hoofdstuk 29 v.6-7. Zie ook Ps. 21 speciaal v.4 en Ps.132 speciaal v.18.

Deze kroning met "HET HEILIG DIADEEM", zoals Exod. 29 v.6 het noemt, verwijst naar JEZUS CHRISTUS. We vinden dit profetisch beschreven in o.a. Zach.6 v.9-14 en Ps. 132 v.17-18. Bedenk dat de naam JOZUA dezelfde is als JEZUS, wat betekent: De Here redt. De Romeinse soldaten vervulden "DE ROL VAN DE AMALEKIET" toen ze Jezus een doornenkroon op Zijn hoofd zetten. (Matth. 27 v. 27-31.)

HOE IS DE HEDENDAAGSE AMALEKIET TE VERSLAAN ....
Ook heden kan de "AMALEKIET" alleen overwonnen worden indien we gehoorzaam zijn AAN ALLES wat Hij ons zegt en nauwgezet handelen overeenkomstig Zijn woord. De geschiedenis uit Num. 14 v. 39-45 maakt ons duidelijk dat het strijden in eigen kracht tot mislukken is gedoemd. Let op v.44 en een gewaarschuwd man ..... "TOCH WAAGDEN ZIJ HET DE BERGTOP TE BEKLIMMEN (waar de vijand huisde), DOCH DE ARK VAN HET VERBOND DES HEREN EN MOZES VERLIETEN DE LEGERPLAATS NIET." De geestelijke hamvraag voor deze eindtijd is Paulus' vraag: "HEBT GIJ DE HEILIGE GEEST ONTVANGEN, TOEN GIJ TOT HET GELOOF KWAAMT ...... Zie Hand.19 v.1-6. Zie ook Joh.1 v.33; Hand. 8 v.15.

DAVID's KLAAGLIED.
Dit klaaglied heeft eigenlijk maar één thema dat op allerlei manieren wordt herhaald. De kern is deze:
DE KONING EN ZIJN ZOON WAREN ERVAREN, STRIJDBARE HELDEN. ZE BEHAALDEN ZEER VELE OVERWINNINGEN OP HUN VIJANDEN. WAAR ELKE ISRAELIËT BAAT BIJ HAD. (v.24.) UITEINDELIJK FAALDEN ZE TOCH EN.... SNEUVELDEN. EN DAT IS REDEN OM TE WENEN. (v.24)
MAAR AL IS DIT KLAAGLIED, DIT LIED VAN DE BOOG IN MINEUR GESTELD, TOCH GLOORT ER HOOP. AL ZIJN DEZE HELDEN GEVALLEN EN AL HUN KRIJGSWAPENS VERLOREN GEGAAN. (v.27.) ER IS NOG EEN ANDERE KONING WAARVAN DE BIJBEL IN OPENB. 5 ZEGT: " EN IK WEENDE ZEER, OMDAT NIEMAND WAARDIG WAS GEBLEKEN DE BOEKROL TE OPENEN OF DIE IN TE ZIEN. EN EEN VAN DE OUDSTEN ZEIDE TOT MIJ: WEEN NIET; ZIE DE LEEUW UIT DE STAM JUDA, DE WORTEL DAVIDS (nageslacht van David) HEEFT OVERWONNEN OM DE BOEKROL EN HAAR ZEVEN ZEGELS TE OPENEN. (v.4-5.) .... EN ZIJ ZONGEN EEN NIEUW GEZANG ZEGGENDE: GIJ ZIJT WAARDIG.... WANT GIJ ZIJT GESLACHT EN GIJ HEBT HEN VOOR GOD GEKOCHT MET UW BLOED, UIT ELKE STAM EN TAAL EN VOLK EN NATIE EN GIJ HEBT HEN VOOR ONZE GOD GEMAAKT TOT EEN KONINKRIJK, EN TOT PRIESTERS, EN ZIJ ZULLEN ALS KONINGEN HEERSEN OP AARDE . (v.9-10.) Reeds in het oude verbond komt Gods genade om de hoek kijken. Let op wat Asaf bidt in Ps. 83 v.17 ...OPDAT ZIJ UW NAAM ZOEKEN. Nog duidelijker spreekt Ps. 87: "DE FILISTIJN, DE TYRIËR, DE MOREN ZIJN BINNEN U, O GODSSTAD VOORTGEBRACHT.... JA, DAN WORDT ZIJN NAAM MET LOFGEJUICH GEPREZEN. (berijmd). David's klaaglied blijkt een heerlijke vervulling te krijgen in "DE ZOON VAN DAVID" = JEZUS CHRISTUS ONZE HEER.

ENKELE VRAGEN BIJ LES 25:

Vraag 1: Zou er met het oog op Amalek gedoeld worden op een natuurlijke, biologische erfenis van (verkeerde) eigenschappen of van een "AANGENOMEN, VERKREGEN" verkeerde hartsgesteldheid?
Vraag 2: Waarom zou er in de bijbel nooit gesproken worden over vergeving van "AMALEK"?
Vraag 3: Zou er heden nog een complot bestaan tegen Gods kinderen?
Vraag 4: Wat heb je reeds bespeurd van hetgeen Petrus noemde in 2 Petr. 2? Geef je eigen mening daar eens over.
Vraag 5: Zie je herkenbare lijnen lopen van het koning- of priesterschap in het oude verbond en het KONINKLIJK PRIESTERSCHAP uit 1 Petr. 2 v.9?
Vraag 6: Waarom zou de bijbel spreken over: "HEILIG DIADEEM"? Zie Ex. 29 v.6.
Vraag 7: Is Num. 14 v.39-45 ook nu nog een les voor ons? Zie o.a. 1 Cor. 10 v.1-13.
Vraag 8: Wat is jouw antwoord op Paulus' vraag uit Hand. 19 v.2?
Vraag 9: Wanneer mocht iemand de boekrol openen?
Vraag 10: Geef aan waarom David's klaaglied nu veranderd is in een OVERWINNINGSLIED.

TOELICHTING BIJ HET BEGRIP: "vijfde colonne".
In het jaar 1936 woedde er in Spanje een burgeroorlog. Een generaal was bezig een stad te belegeren toen er een tweede generaal naar hem toe kwam met de vraag: "WAT IS JOUW STRATEGIE VOOR HET INNEMEN VAN DEZE STAD?" Toen zei de eerste generaal: "Ik heb vier colonnes die nu de stad aan het aanvallen zijn. Ze vallen de stad aan vanuit het Noorden, het Zuiden, het Oosten en het Westen, maar ik denk," zei de generaal, "dat mijn 5e colonne voor mij de stad zal innemen." De 2e generaal was zeer verbaasd en zei: "Een vijfde colonne, waar is die dan?" Toen zei die eerste generaal: "De vijfde colonne is in de stad zelf." Zo is de situatie in het leven van iedere Christen. Als we een open relatie met God hebben zal God ons én waarschuwen, bewaren én helpen tegen de aanvallen van buitenaf en ons de overwinning geven, want we zijn onaantastbaar in Hem, in Christus. Maar als er een colonne in de stad is, binnen de muren, is het een (vijandelijke) colonne die ergens verscholen is in ons leven, IN ONS HART, dan is er pas werkelijk een gevaar, dan kun je tot een nederlaag worden gebracht. Matth. 15 v.19: "Want uit het hart komen boze overleggingen.... leugenachtige getuigenissen... Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken."

NAWOORD.

In de 25 lessen die je in dit eerste deel van de bijbelstudie over het (hele) leven van David bestudeerd hebt, heb je hem als het ware ontmoet vanaf zijn leven als herdersjongen tot aan zijn koningschap.
Ik hoop dat je nu een beter "beeld" hebt gekregen van deze grote man Gods en tevens begrip voor zijn lijdensweg als vervolgde, teneinde koning te kunnen worden. Op deze wijze heeft God hem als een nog ongevormde/onbehouwen klomp klei gekneed én gevormd én in het vuur gebracht om hem zo te kunnen maken tot een sieraad in Gods huis, een voorwerp met een eervolle bestemming. 2 Tim. 2 v.20-21. Maar, zoals gezegd, liep deze bijbelstudie tot aan David's koningschap. In het tweede deel hoop ik te mogen uitleggen wat het leven van David ALS KONING, ons nog heeft te zeggen en te leren, vooral aan de hand van het tweede boek Samuël.
Het zal handelen over zijn koningschap, eerst alleen over Juda en later over geheel Israël. Verder zullen "zijn oorlogen" behandeld worden en alles wat zich afspeelde rond de Tabernakel en de voorbereidingen voor de Tempelbouw.
De rebellie onder David's kinderen en de samenzweringen, alsmede David's eigen zonden, zullen eveneens behandeld worden. Ook het eerste boek der Kronieken en de Psalmen zullen lesstof voor jou en mij opleveren. Het tweede deel der bijbelstudie zal ons opnieuw leren over DE ZOON VAN DAVID, dus JEZUS CHRISTUS, de Zoon van de levende God. Na kennis te hebben genomen en het door de Heilige Geest te hebben laten uitwerken in ons leven, van de gehele bijbelstudie, zullen we, naar mijn stellige verwachting, méér bekwaam kunnen zijn om in deze eindtijd, de keurtroepen van DE ZOON VAN DAVID te mogen vormen, zoals ook David voorheen zijn KEURTROEPEN had. 1 Kron. 11 v.10-47. Met 1 Petrus 2 v.9 belijden we dan ook: "MAAR GIJ ZIJT HET UITVERKOREN GESLACHT, het koninklijk priesterschap. De heilige STAM, het verkregen VOLK, opdat gij de wonderkrachten moogt verkondigen van Hem, die U uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht."

Als een "opgestaan volk" kunnen we dan ons paaslied zingen. HET DANKLIED EN OVERWINNAARSLIED DER VERLOSTEN: (Naar Jesaja 35 vers 3-10, op de wijze van lied 205 Joh. De Heer: Rijst op, rijst op voor Jezus.)

1. VERSTERK DE SLAPPE HANDEN, JA IED'RE KNIE STA VAST,
UW HART ZAL NIET VERSAGEN, WANT CHRISTUS DROEG UW LAST.
HIJ KWAM UW ZIEL VERLOSSEN EN BREKEN ELK JUK,
DE KLUISTERS ZIJN GEOPEND, VERDREVEN IS DE DRUK.

2. DE DOVEN ZULLEN HOREN, HET OOG DER BLINDEN ZIEN,
DE LAMME ZAL WEER SPRINGEN, DE STOMME HULDE BIE'N.
WOESTIJNEN ZULLEN BLOEIEN, DE STEP' EEN WATERPLAS,
HET WORDT EEN OORD VAN BRONNEN, OP DORSTIG LAND GROEIT GRAS.

3. VERLOSTE ZONEN WAND'LEN, OP DE GEBAANDE PAAN,
HET IS DE WEG DES HEREN, WAAR HIJ IS VOORGEGAAN.
DE LEEUW IS DAAR VERSLAGEN, DE ADDER LIGT VERTRAPT,
VERLOSTE SLAVEN RICHTEN, HUN VOETEN NAAR DE STAD.

4. HET DANKLIED DER VERLOSTEN, GEVOED DOOR EEUW'GE VREUGD,
DIT LIED VAN SIONS ZONEN, SCHENKT BLIJDSCHAP EN VERHEUGT.
HET ZUCHTEN ZAL VERDWIJNEN, EN KOMMER ZAL VERGAAN,
DE VRIJHEID IS GESCHONKEN, WANT ALLES WERD VOLDAAN.

Een overzicht van alle lessen behorend bij deze bijbelstudie vind je hier.

Voor eigen gebruik zou je deze bijbelstudie eventueel kunnen printen.